Franks homepage
Nieuw op de site
Contact
Zoeken
English

foto van Jan Campert

Shakespeare:
Voorwoord
Bibliografie
Tekstverantwoording
Vertalingen
Bewerkingen
A Lover's Complaint
De sonnetvorm
Shakespeare-links

Vertalers:
Burgersdijk
Albert Verwey
J. Decroos
Boutens
Moulijn-Haitsma Mulier
Jan Campert
Hugo Claus


Tijdgenoten:
Edmund Spenser
John Donne


Statistieken/Privacy

LXV

Waar brons en aarde, steen en water mateloos
tegen de droeve sterflijkheid niet zijn bestand,
hoe zou dan ooit de schoonheid, vluchtig als een roos,
op deez’ verblinde woede halen de overhand?
En wat vermag des Zomers honigzoeten aêm
tegen ’t beleg van den wraakgier’gen dagestoet,
wanneer ’t onwrikbaar steen het zelfs niet kan bestaan
noch staal dat zij voor Tijd’s verval worden behoed?
Want waar, helaas, o mijmering vervuld van vrees,
versteekt zich van Tijd’s schrijn het allerschoonst kleinood?
Wiens sterke hand verlamt zijn snelle voetenpees?
En wie die hem ’t verkwisten van zulk schoon verbood?
O geen tenzij wellicht dit wonder ’t openbaart
dat zwart op wit mijn liefde stralend blijft bewaard.

Uit: Jan Campert, Verzamelde gedichten 1922-1943, Stols Uitgever, Den Haag, 1947.





Engelse tekst
   + nieuwe vertaling

oude spelling

Andere vertalingen:
Burgersdijk
Verwey
Moulijn-Haitsma Mulier
Decroos
Jonk
Van der Krogt
Van der Krogt


Campert:
Sonnet 17
Sonnet 29
Sonnet 61
Sonnet 65
Sonnet 66
Sonnet 71