Franks homepage
Nieuw op de site
Contact
Zoeken
English

foto van Burgersdijk
Shakespeare:
Voorwoord
Bibliografie
Tekstverantwoording
Vertalingen
Bewerkingen
A Lover's Complaint
De sonnetvorm
Shakespeare-links

Vertalers:
Burgersdijk
Albert Verwey
J. Decroos
Boutens
Moulijn-Haitsma Mulier
Jan Campert
Hugo Claus


Tijdgenoten:
Edmund Spenser
John Donne


Statistieken/Privacy
Versie 1.1 van de tekst -- 22-02-07
Minneklacht 22-11-09

Ik heb niets aangepast aan spelling of interpunctie. Zelfs de typografie van de aanhalingstekens („Hollandse stijl”) is overgenomen.

Ik heb wel n duidelijke drukfout in de editie van 1888 hersteld: in regel 5 van sonnet XXX staat in het origineel sinsd". Daarnaast kan ik zelf tikfouten gemaakt hebben.

Als je deze interneteditie gebruikt voor citaten, stel ik een bronvermelding op prijs. Ook correcties zijn welkom.

Bron: Dr. L. A. J. Burgersdijk, De Werken van William Shakespeare, deel 12, uitgegeven door E. J. Brill, Leiden, 1884-1888.



SONNETTEN.



I.

Zich te vermeerd’ren is der schoonsten plicht,
Opdat de roos der schoonheid nimmer sterve,
Maar, velt de Tijd de rijp’re met zijn zicht,
Een teed’re spruit haar naam en schoonheid erve;
Doch gij, door ’t eigen stralend oog geboeid,
Voedt met uzelf als brandstof uwe vlam,
Wekt hongersnood waar alles welig groeit,
Zijt vijand van uzelf en van uw stam.
Gij, wien een elk der wereld pronkstuk acht,
En als der blijde lente bode groet,
Begraaft in uwen knop uw rijke pracht,
Spilt sparend schatten, vrek met zacht gemoed!
   Heb meêlij met de wereld, ga niet voort;
   Verslind niet, gij en ’t graf, wat haar behoort!




II.

Als veertig winters uw gelaat berennen,
Loopgraven delven in der schoonheid veld,
Wie zal dan ’t prachtkleed uwer jeugd herkennen,
Eens hooggeroemd, dan voor een vod geteld?
Dan vraagt men, waar uw schoon is heengetogen,
Waar heel de schat is van uw lentetijd;
En zegt gij: „In deez’ diepgezonken oogen”,
’t Ware eeuw’ge schande, een roem, die niet gedijt.
Wat and’re roem, droeg uwe schoonheid rente,
En kondt gij zeggen: „Ziet, dit schoone kind
Betaalt mijn reek’ning, schuldvrij is mijn lente;
Mijn erf’nis is ’t, wat elk zoo lieflijk vindt”!
   Zoo wierdt gijzelf verjongd, al zijt gij oud,
   En zaagt uw bloed verwarmd, al voelt gij ’t koud.



III.

Zeg, in uw spiegel ziend, tot uw gelaat:
„Vorm, – nu is ’t tijd, – een afdruk uwer jeugd!”
Der wereld, – duldt gij, dat uw schoon vergaat, –
Ontsteelt gij ’t hare, een’ moeder hemelvreugd.
Want welker schoone nooit geploegde schoot
Versmaadde, ’t veld te zijn door u bebouwd?
Of wie wil, daar hij dwaas zichzelf vergoodt,
Zijn eigen graf zijn, waar geen kroost bij rouwt?
De spiegel zijt gij uwer moeder; haar
Roept gij haars levens lente voor den geest;
Neem zoo eens gij door oude vensters waar,
Zelf rimp’lig, hoe uw bloeitijd is geweest.
   Maar wilt gij leven, doch herdenking derven,
   Zoo sterf alleen, uw beeld zal met u sterven.



IV.

Vergeefsche lieflijkheid, waarom verspilt
Gij aan uzelf het erfdeel van uw schoon?
Natuur, zij schenkt niet, maar zij leent; ze is mild,
Opdat, wie van haar leent, goedgeefsch zich toon’.
Verklaar dus, schoone vrek, mij dit: waarom
Misbruikt gij schatten, die ze u gaf tot geven?
Wat, rent’loos woek’raar, werpt ge zulk een som
Van sommen weg en weet toch niet te leven?
Want, handel drijvend met uzelf alleen,
Ontsteelt ge uzelf uw eigen lieflijkheid;
Hoe vindt Natuur dan, roept zij eens u heen,
U tot voldoende rekenschap bereid?
   Uw rent’loos schoon wordt met u ’t graf ten buit;
   ’t Geev’ rente, en ’t voert uw laatsten wil eens uit.



V.

Die uren, die met teed’re zorg dit beeld
Zoo lieflijk vormden, dat elks oog er woont,
Verand’ren, – geen, die niet tyran eens speelt,
En wat in rijke schoonheid straalt, ontschoont;
Want rust’loos drijft de tijd den zomer voort
Naar ’s winters rillen, brengt hem daar ten val;
Vorst stremt zijn sap, ’t loof valt, het lieflijkst oord
Wordt oversneeuwd; ’t is kaalheid overal.
Ja, waar’ de geur des zomers niet bewaard,
Verdampt, gevangen, in kristal gesloten,
Van ’t schoon bleef niets, geen spoor van ’t schoon, gespaard,
En zelfs zijn heug’nis ware dra vervloten;
   Doch sloop’ de winter ook de bloem, hij heeft
   Slechts macht op ’t hulsel, ’t lieflijk wezen leeft.



VI.

Dat dus niet ’s winters vuist uw zomer vatt’
En schende, eer ge in kristal besloten zijt;
Doorgeur een fleschjen; uwer schoonheid schat
Verrijke een huis, eer zij den dood zich wijdt.
O int’rest is geen woeker, is geen stelen,
Mits men aan hen, die graag betalen, leen’;
’t Geldt hier, voor u een ander u te telen;
Tienvoudig heil, verwekt ge er tien voor een!
Waart gij tienmaal herboren in uw kind’ren,
Tienmaal meer heil waar’ dan uw deel dan nu;
Want wat zou voort te leven u verhind’ren,
En welke macht had dan de dood op u?
   Wees niet verstokt; te schoon zijt ge om te sterven,
   Een prooi des doods, met wormen tot uw erven.



VII.

Zie, heft in ’t oosten ’t vorst’lijk hemellicht
Zijn gloedvol hoofd, dan brengt elk sterflijk oog
Zijn dankb’re hulde aan dat steeds nieuw gezicht
En blikt vol eerbied op ten hemelhoog;
Bereikt het zoo de steilte zijner baan,
Zooals de knaap zijn volle jong’lingskracht,
Dan bidt de sterv’ling steeds dat wonder aan
En eert den pelgrim in zijn gouden pracht;
Maar drijft hij, van het toppunt, moê den wagen,
Met grijsaardshand, onzeker, naar beneên,
Dan volgt dat oog, pas dankbaar opgeslagen,
Zijn pad niet meer, doch wendt zich elders heen.
   Zoo sterft, is eens uw middaguur voorbij,
   Zoo gij geen zoon hebt, onbetreurd ook gij.



VIII.

Hoort gij, muziek voor ’t oor, muziek met smart?
Nooit haat het zoete ’t zoet, vreugd houdt van vreugd.
Bemint gij, wat ge ontvangt met droevig hart,
Ontvangt gij, wat u leed bereidt, verheugd?
Zijn welgestemde tonen, zoet tot éen
Versmolten, voor uw oor een ergernis,
’t Is, wijl ze u zacht verwijten, dat ge alleen
Uw rol speelt, looch’nend wat uw roeping is.
Want hoor, hoe snaar aan snaar, hoe toon aan toon
Zich lieflijk huwt, hoe alles samenklinkt,
Een trits gelijk van vader, moeder, zoon,
Die, innig éen, éen schoone wijze zingt.
   Hun woord’loos lied, veelstemmig en toch een,
   Zingt dit u toe: „Wie eenig is, wordt geen.”



IX.

Spreek! is ’t uit vrees, dat eens een weduw ween’,
Dat gij uzelf verteert in eenzaamheid?
Ach! sterft gij zonder kroost, gij laat alleen
De wereld, die, verlaten, om u schreit.
De wereld zal uw weduw zijn en weenen,
Dat zij van u geen evenbeeld bezit,
Terwijl elke and’re weduw in haar kleenen
Haar aangebeden gade nog aanbidt.
Breng’ een verkwister schat bij schatten door,
’t Wordt al verplaatst, de wereld heeft het nog;
Verspilde schoonheid gaat geheel te loor,
En ’t niet-gebruik verslijt, verbruikt haar toch.
   Hij heeft geen hart, dat ooit voor and’ren slaat,
   Die op zichzelf zoo snood een moord begaat.



X.

Erken, en schaam u, dat gij niemand mint;
Want dat gij voor uzelf niet zorgt, is waar.
Zoo menig hart is liefd’rijk u gezind,
Doch gij mint niemand, dit is zonneklaar.
Want van zoo bitt’ren haat zijt gij bezield,
Dat gij vernieling van uzelf beoogt,
En eer uw heerlijk prachtpaleis vernielt,
Dan gij zijn schoon in stand te houden poogt.
Bedenk u toch, opdat ik anders denke!
Komt haat een beter huis dan liefde toe?
Zacht is uw oog; dat liefde daarin wenke,
Uzelve gunstig zij, u leven doe!
   Denk! wilt ge een ander ik het aanzijn geven,
   Dan blijft, in u of ’t uwe, schoonheid leven!



XI.

Schoon ge ook verwelkt, – al wat gij hebt verloren
Treedt in een spruit weer even snel in ’t leven;
Wordt gij ook oud, – gij ziet uw schoon herboren,
U in een spruit uw jeugdig bloed hergeven.
Hierin ligt wijsheid, schoonheid, frissche groei,
Hierbuiten dwaasheid, ouderdom, vergaan;
Want dachten allen zooals gij, de bloei
Der wereld ware in zestig jaar gedaan.
Laat and’ren, waar natuur geen vrucht van wacht,
Die waard’loos zijn, ook vruchtloos gaan ten grave;
Schonk ze and’ren veel, u schonk zij rijker pracht;
Dat gij mild geeft, vereer’ haar milde gave.
   Ge ontvingt haar schoonheidsstempel; en gij huldigt
   Haar gift, zoo gij dat schoon vermenigvuldigt.



XII.

Zie ik den stâgen gang van ’t uurwerk aan,
Zie ik den trotschen dag in nacht verzinken,
’t Viooltjen na zijn korte pracht vergaan,
En ravenlokken ras verzilverd blinken;
Zie ik die boomen, welker kroon nog pas
Der kudden loofdak was, nu kaal, ontblaârd,
En ’s zomers groen gemaaid en op een tas
Ter rust gelegd met witten stoppelbaard;
Dan warrelt deez’ gedachte door mijn hoofd,
Dat, – ach! – de Tijd ook uw schoon dra verderft,
Daar al wat lieflijk schittert wordt gedoofd
En, bij den glans van ’t nieuw’re, zwijmt en sterft.
   Niets veiligt voor de zicht des Tijds uw hoofd,
   Dan kroost, dat stand houdt, als hij u ons rooft.



XIII.

O, waart gij steeds uzelf! Maar, vriend, gij zijt
Uzelf niet langer, dan gijzelf hier leeft;
Gedenk dus aan de kortheid van den tijd,
Opdat ge een evenbeeld het leven geeft.
Hebt gij alsnù uw schoonheid slechts in pacht,
Dan liep de pacht nooit af; want trots den dood
Herreest gijzelf met jong’lingsschoon en kracht
In ’t kroost, waarin elks oog uw schoon genoot.
Wie geeft een huis, zoo schoon, prijs aan verval,
Dat nimmer, bij een goed beheer, veroudde,
Door vlagen wierd gedeerd noch ongeval,
Door ’t woeden niet der eeuw’ge winterkoude?
   Verkwisters slechts! – O dierb’re vriend, gij hadt
   Een vader; roeme uw zoon op zulk een schat!



XIV.

Der sterren raads’len wil ik niet doorgronden,
En toch, naar ’k meen, versta ik sterrenkunst,
Niet om geluk of onheil te verkonden,
Pest, duurte of der getijden nijd of gunst;
En ik voorzeg ook niet, of ’t vluchtig uur
Onweer of wind of regen brengen zal;
Ik tuur niet, of in sterrenschrift natuur
Aan vorsten heil voorspelt of ongeval;
Neen, ’t zijn uw oogen, die mijn blikken boeien,
Zij zijn mijn sterren, en ik lees er uit,
Dat schoon- en waarheid heerlijk zullen bloeien,
Verzaakt ge uw zelfzucht, zorgt gij voor een spruit;
   Zoo niet, – als ziener is ’t, dat ik verklare:
   Uw dood is ’t einde van het schoone en ’t ware.



XV.

Zie ik, hoe al, waar groei en kracht in woont,
Een oogwenk slechts in volle schoonheid duurt,
Hoe ’s werelds schouwtooneel een spel ons toont,
Verborgen van der sterren macht bestuurd;
Bespeur ik, hoe de mensch groeit als het gras,
Door éénen hemel welig tiert en kwijnt,
Op jonge sappen trotsch is en toch ras
Weer afneemt, ja zijn heug’nis zelfs verdwijnt;
Dan voert dit peinzen op vergank’lijkheid
Uw beeld voor mij in al zijn jong’lingspracht;
Bij slooper Tijd staat reeds Verval bereid,
En dreigt uw jongen dag met somb’re nacht; –
   Doch ik, u trouw, bied aan den Tijd het hoofd
   En ent weer nieuw op u, wat hij u rooft.



XVI.

Doch waarom zelf met feller waap’nen tegen
Den Tijd u niet geweerd, den aartstyran?
Met beter midd’len, rijk’lijker in zegen,
Dan mijn onvruchtbaar dicht ooit schenken kan?
Gij staat in top van uwe schoonste dagen,
En menig maagd’lijk bloembed wenscht uw gunst,
Om levensvolle bloemen u te dragen,
U trouwer teek’nend dan des schilders kunst;
Vernieuw in levenstrekken dus dit leven,
Waar Tijds penseel, noch mijn beginnaarsstift
Voor menschenoogen leven aan kan geven,
In een uw waarde en schoonheid malend schrift.
   Bewaar uzelf en schenk u weg; gij leeft
   Slechts als ge uw eigen schoon te teek’nen streeft.



XVII.

Wie schenkt eenmaal mijn lied geloof, vervuld
Van uw onschatb’re waarde? En toch, gewis,
’t Is als een tombe slechts, die u omhult,
Vertoont niet half uw beeld zooals het is.
Kon ik de schoonheid uwer oogen schrijven,
Uw beeld afbeelden in een gloeiend lied,
Wis zeiden laat’ren: „Dichters overdrijven,
Zoo hemelsch schoon is aardsche schoonheid niet.”
Zoo wierd mijn door den tijd vergeeld gedicht
Veracht als ’t baaz’len van een ouden dwaas,
En wat ik van uw waarde waar bericht,
Een oude deun gerekend, hol geraas.
   Doch leefde een zoon van u, gij leefdet voort,
   Tweemaal: in hem, en in mijn dichterwoord.



XVIII.

Zal ik een zomerdag gelijk u noemen?
O, die is niet zoo lieflijk en zoo zacht;
Vaak schudt een ruwe vlaag de teêre bloemen,
En al te ras verzwindt des zomers pracht.
Te vurig gloeit niet zelden ’s hemels oog,
Nog vaker kwijnt verdoofd zijn gouden vuur;
En ’t schoon betreurt vaak schoonheid, die vervloog
Door toeval of de wiss’ling der natuur;
Doch nimmer zal uw eeuw’ge zomer kwijnen,
En door geen wiss’ling wordt uw schoon gedeerd;
U daagt geen Dood om voor hem te verschijnen,
Daar u de tijd om eeuw’ge zangen eert.
   Zoo lang nog menschen aad’men, ’t oog nog ziet,
   Zoo lang leeft gij, vereeuwigd door mijn lied.



XIX.

Verstomp den klauw des leeuws, vraatgier’ge Tijd;
Door u verslinde de aard haar lieflijkst broed;
Ontscheur den tijger ’t fel gebit, en wijd
Den feniks aan den dood door eigen gloed;
Breng goede of slechte jaren ’t menschdom aan,
Schenk, Vleugelvoet, aan de aarde goed of kwaad,
’t Is alles één, haar schoon moet toch vergaan;
Doch hoed u voor deze ééne gruweldaad:
O, groef niet met uw jarenstift mijn vriend
Uw lijnen op het voorhoofd; dat zijn schoon,
Door u bewaard, gehuldigd en gediend,
Aan ’t nageslacht, wat schoonheid is, nog toon’!
   Doch, Tijd, doe wat gij wilt, het deert hem niet;
   Hij leeft in eeuw’ge jonkheid in mijn lied.



XX.

U heeft, o heer-gebiedster van mijn harte
Natuur een vrouwenaangezicht gegeven,
Dat bloost, – een vrouw’lijk hart, dat nimmer smarte
Verwekt door vrouw’lijk naar verand’ring streven,
Een oog met vrouwenblik, doch zonder valschheid,
Dat alles, waar ’t op staart, als goud doet gloeien,
Een mannenvorm en tint, die door hun malschheid
Der mannen oog, der vrouwen ziele boeien;
Gewis is ’t, dat Natuur tot vrouw u vormde,
Doch onder ’t scheppen zelve op u verliefde,
En zoo, verward, wijl hartstocht haar bestormde,
U iets te veel, mij nutt’loos, schonk, mij griefde.
   ’t Zij; boeit uw schoon der vrouwen oog en zinnen,
   Gun mij uw liefde, haar ’t genot van ’t minnen!



XXI.

Mijn Muze, neen, gelijkt den dichter niet,
Die, door een fraai geverfd gelaat bekoord,
Al ’s hemels schoon te naasten niet ontziet,
En waant, dat alle schoon zijn lief behoort,
Daar alle schoon meê koppelt, vergelijkt,
De schatten van de zee, van de aard doorwoelt,
Zegt, dat ze als zon, maan, bloem, als alles prijkt,
Wat door de ruime luchtzee wordt omspoeld;
Neen, mijn gedicht zij, als mijn liefde, waarheid;
Geloof mij: die ik min, is schoon en blond,
Zoo schoon als een, maar haalt toch niet in klaarheid
Bij ’t gouden fonk’len aan des hemels rond.
   Hij zegge meer, die lust in bijval vindt;
   Ik prijs niet, tot verkoopen niet gezind.



XXII.

Wat ook mijn spiegel zegg’, ik ben niet oud,
Zoolang nog jeugd uw speelnoot is; doch zoo
Mijn oog verval op uw gelaat aanschouwt,
Dan zijn uw rimpels mij een stervensboô.
Want heel uw schoon omhulsel is kleedij,
Is pronkkleed van mijn teeder hart; dit woont
En klopt in uwe borst, als ’t uwe in mij;
Hoe zou ’k dan ouder wezen dan gij toont?
Neem daarom, lieve, uzelf zoo goed in acht,
Als ik ’t om u, – om mij niet, – doe; ’t is plicht,
Dat ik uw hart voor leed te veil’gen tracht,
Gelijk een trouwe min haar kostbaar wicht.
   Breekt gij mijn hart, denk niet: „Ik blijf wel leven”;
   Ik heb het uwe, – en niet om ’t weer te geven.



XXIII.

Gelijk een zwakke speler op ’t tooneel,
Wien koortsige angst zijn rol vergeten doet,
Of eenig wezen, dat, verwoed, te veel
Zich afmat, raast, zijn kracht verliest en moed, –
Zoo waag van angst ook ik niet, uit te spreken,
Wat vuur tot huldebrenging in mij blaakt,
En schijnt der liefde kracht in mij bezweken,
Terwijl haar zware last mij macht’loos maakt.
Beproev’ mijn boek dan nu zijn redekunst,
Als stomme tolk van wat de boezem spreekt;
Het vraagt om liefde en hoopt op uwe gunst,
Meer dan die tong, die meer en beter smeekt.
   Wat stomme liefde schreef, o, leer het lezen;
   ’t Met oogen horen ligt in liefdes wezen.



XXIV.

Mijn oog werd schilder, en heeft op ’t paneel
Mijns harten uwe schoonheid uitgeteekend;
Mijn lichaam is de lijst van ’t schoon taaf’reel,
De perspectief is wondergoed berekend;
Want enkel door den schilder kunt gij ’t zien,
Waar uwe schoon getroffen beelt’nis hangt;
Die ge in mijn hart, de werkplaats, vindt, indien
Zij door uw oog als venster licht ontvangt.
Merk op, hoe beider oog door ’t and’re won:
Mijn oogen maalden u, en de uwe zijn
Als vensters voor mijn borst, waardoor de zon
Heengluurt, en u begroet met blijden schijn.
   Doch toon’ het oog zijn kunst ook nog zoo goed,
   Het maalt slechts wat het ziet, niet uw gemoed.



XXV.

Die hunner sterren liev’ling zijn, zij mogen
Roem dragen op hun titels, naam en eer;
Ik smaak, schoon ’k niet op zulk een glans kan bogen,
In stilte ’t heil, dat ik het meest begeer.
De vorstengunst’ling spreidt zijn blaad’ren uit,
Zooals de goudsbloem, als de zonne schijnt;
Zijn trots wordt in hemzelf aan ’t graf ten buit;
Één donk’re blik, en al zijn glans verdwijnt.
De held, na zwaren strijd van roem omgloord,
Na duizend zegepralen eens verslagen,
Wordt uit het boek der eer geschrapt; men hoort
Van niets, waarvoor hij zwoegde, meer gewagen.
   Heil mij dan! Ik bemin en word bemind,
   Waar ik beklijf en immer liefde vind.



XXVI.

Heer mijner liefde, wiens waardij tot trouw
Mij bindt, zoodat ik uw vazal mij acht,
Ik doe u schrift’lijk hulde thans; beschouw
Den wil, maar niet de kunst van wie haar bracht!
De hulde is groot; doch ik erken, mijn geest
Is arm, mist woorden om haar op te smukken;
Och, of gij zoo veel goedheid mij beweest,
Haar, naakt als ze is, toch aan uw hart te drukken,
Totdat de ster, die mijn geboort’ bescheen,
Goedgunstig op mijn pad haar licht doe stralen,
Mijn schaam’le liefde een passend kleed verleen’,
Mij waard maak’, dat ge uw blik op mij laat dalen;
   Dan roem ik luid, hoe ik mijn liefde u wijd;
   Doch treed u niet voor de oogen tot dien tijd.



XXVIII.

Ik zoek mijn bed, van ’t reizen afgesloofd,
Voor matte leden steeds de hoogste lust;
Doch dan begint een reizen in mijn hoofd
En werkt de geest, al neemt het lichaam rust;
Mijn denken zoekt de plaatse, waar gij zijt,
Trekt verre, verre weg, om u te vinden,
En ’k open, hoe vermoeid ook, de oogen wijd,
En staar het duister aan, zooals de blinden;
Niet zóó toch: mijner ziel verbeeldingskracht
Brengt uw gedaante voor mijn blind gezicht,
Die, als een rijk juweel der schrikb’re nacht,
De nacht, hoe oud, verjongt, haar zwart verlicht.
   Zoo zijn bij dag mijn leden, ’s nachts mijn hoofd
   Door u en door mijzelf van rust beroofd.



XXVIII.

Hoe kan ik ooit weer blij, gelukkig leven,
Als mij geen uur van sluim’ring ooit gelukt?
’s Nachts nooit de druk des dags wordt opgeheven,
Bij dag de nacht, bij nacht de dag mij drukt?
Van deez’ kan de een den ander niet verdragen;
Toch zijn ze tegen mij vereend, want nu
Doet de een mij zwoegen, dan weer de ander klagen,
Dat hoe ik zwoeg, ’t mij verder scheidt van u.
Ik zeg den dag: door uwe lichte pracht
Blijft hij zoo schoon, wat wolk de lucht verduister’;
En vleiend zeg ik tot de zwarte nacht:
Uw glans schenkt haar, als sterren tanen, luister.
   Doch daag’lijks maakt de dag mijn lijden langer,
   En nacht op nacht mijn bange zorgen banger.



XXIX.

Als ik, van elk gesmaad, van ’t lot miskend,
In tranen troost voor mijn verguizing zoek,
Ten dooven hemel vrucht’loos kreten zend,
Bij ’t denken aan mijzelf mijn staat vervloek,
Aan deez’ zijn leven, rijk in hoop, benij,
Aan dien zijn schoonheid, dien zijn stand en macht,
De kunst van dezen wensch, diens vriendenrij,
En wat mij ’t meest verheugt, een dwaasheid acht,
Dan schijn ik me een verworp’ling; – doch nauw treft
Uw beeld mijn ziel, of mijn ellende vliedt,
En ’k zing, zooals de leeuwrik, die zich heft
Bij ’t dagen, aan des hemels poort een lied;
   Want denk ik aan uw liefde, ’k ben zoo rijk,
   Dat ik in weelde voor geen koning wijk.



XXX.

Als ik in de eenzame uren van het peinzen
’t Verleden voor den stoel daag van mijn geest,
Zie ik nog eens het vaak verlangde deinzen,
En ik betreur nog eens, wat is geweest;
Dan stroomen die sinds lang niet schreiende oogen
Om dierb’re, lang verstorven vrienden; ’k ween
Nog eens om teed’re liefde, lang vervlogen,
Om meen’ge hoop, die ’k voedde, en die verdween;
Nog eenmaal draag ik rouwe, lang gedragen,
Nog eenmaal moet ik lijden, wat ik leed,
Nog eens de klachten, die ik klaagde, klagen,
De tranenschuld voldoen, die ik voldeed; –
   Doch brengt die stonde, vriend, uw beeld voor mij,
   Dan is ’t verlies geboet, mijn leed voorbij.



XXXI.

Die ’k dood gewaand heb, al die harten wonen
In uwen boezem wonderbaar vereend,
Daar is ’t, dat vriendschap en haar schoonheid tronen,
En allen, die ’k begroef en heb beweend.
Hoe vele vrome, oprechte tranen vloten,
Door mij als schatting liefdevol gebracht
Aan dooden, die in u thans zijn besloten,
Bewaard, en niet verloren als ik dacht!
Gij zijt het graf, waar mijn begraav’nen leven;
Hun zegevanen wapp’ren om u heen,
Hun deel aan mij is u door hen gegeven,
Hun recht op mij behoort thans u alleen.
   In u aanschouw ’k hun dierb’re beelden nu;
   Zij leven voort, mijn alles is in u!



XXXII.

Als gij dien dag, mij welkom, overleeft,
Dat Dood mijn dor gebeent’ met stof omhult,
En bij geval deez’ regels overzweeft,
Wel kunst’loos, doch van liefde gansch vervuld, –
Zeg dan: „Ja, dichtkunst ging vooruit; de gunst
Des tijds deed and’ren hem te boven gaan!”
Bewaar ze om mijne liefde, schoon mijn kunst
Bij veler hoog’re kunst moet achterstaan.
O, denk dan liefd’rijk: „Waar’ mijn vriend in leven,
En hadd’ hij in deez’ beet’ren tijd gezongen,
Zijn liefde hadd’ ons schooner vrucht gegeven,
En thans hadd’ hij met beet’ren meegedongen;
   ’k Wil, daar hij stierf en beet’ren zijn verrezen,
   Deze’ om hun stijl, hem om zijn liefde lezen.”



XXXIII.

’k Zag meen’gen morgen fieren glans verspreiden,
Den bergtop aanzien met zijn vorstengunst,
Met gouden kus groen scheppen op de weiden,
’t Bleek meer vergulden door zijn goudmaakkunst;
Doch plots’ling dulden, dat een wolkgevaarte
Een falie wierp op ’t hemelsche gelaat
En de aard beroofde van zijn wond’re klaarte,
Zoodat hij westwaarts sloop met bitt’ren smaad.
Zoo heeft ook mijn zon op een vroegen morgen
Mijn voorhoofd met een gouden glans verlicht,
Ach, voor een enkel uur! want dra verborgen
Haar zwarte wolken voor mijn droef gezicht.
   Toch wrok ik niet; wordt ’s hemels zon door duister
   Bevlekt, wie vergt van aardsche stâgen luister?

XXXIV.

Waarom hebt gij me een schoonen dag voorspeld,
Mij zonder mantel heen doen gaan, geduld,
Dat wolken me overvielen op het veld,
Terwijl haar mist uw glansen hield omhuld?
’t Is niet genoeg, dat gij haar floers verdeelt,
’t Gelaat mij droogt, op nieuw uw stralen schiet, –
Als gij de wond, maar niet de grieving heelt,
Dan roemt de lijder wis uw balsem niet.
Mijn smart wordt door uw schaamte niet verzacht,
Door uw berouw word ik niet opgebeurd;
’t Is schrale troost, als ’t leed is toegebracht,
Dat hij, die ’t deed, zich schaamt, zijn doen betreurt.
   Toch – door die paar’len in uw liefd’rijke oogen
   Wordt al uw schuld mij rijk’lijk opgewogen.



XXXV.

O, treur niet meer om wat gij hebt gedaan!
De roos heeft doornen, slijk de zilv’ren bron;
In schoone knoppen treft men wormen aan;
Verduist’ring, wolken vlekken maan en zon.
Een ieder faalt; zóó ik, die uwe zonde
Door vergelijken goed maak, ja, schier huldig,
Mijzelven omkoop, zalf leg op mijn wonde,
Meer schuld, dan gij begaan hebt, verontschuldig;
Aan uwer zinnen schuld verleen ik zin;
Schoon weêrpartij, word ik uw advocaat,
En klaag mijzelven aan, – u tot gewin;
Want zulk een strijd voert in mij liefde en haat,
   Dat, schoon de lieve dief mijzelv’ besteel’
   En bitter grieve, ikzelf voor heler speel.



XXXVI.

Dat ik ’t erkenne! scheiden moeten wij,
Al is ook onze liefde ondeelbaar één;
Hoe zwaar de smaad, die op mij rust, ook zij,
Ik wil die dragen, zonder u, alleen.
Ja, onze liefde is innig, trouw en zoet,
Doch booze nijd verbittert ons het leven;
Die doov’ niet onzen een’gen liefdegloed,
Maar rooft toch ’t heil, dat samenzijn zou geven.
Ik mag u niet meer kennen, want de blaam,
Die ik zoo diep betreur, bracht wis u schande;
Gij mij de hand niet reiken, want uw naam
Verloor’ zijn glans en aanzien in den lande;
   Neen, doe dit niet; ik wijd u zulk een liefde,
   Dat uw naam mijn is, ied’re blaam mij griefde!



XXXVII.

Zooals een vader heil smaakt, die, verstramd,
Zijn kind recht wakker ziet en vol van jeugd,
Zoo schep ik, door ’t wangunstig lot verlamd,
Al mijnen troost uit uwe trouw en deugd;
Want of geboorte, rijkdom, geest of schoon,
Of een van deez’, of allen, of nog meer,
Gezeteld zijn in u, als op een troon,
Mijn liefde deelt in al uw glans en eer;
Niet langer ben ik arm, verlamd, veracht;
Uw glans, uw schijnsel heeft mij moed gegeven,
En zegent mij nog eens met jong’lingskracht;
Een schemerschijn van u vernieuwt mijn leven.
   Moge ieder heil, ook ’t hoogste, ’t uwe zijn!
   Dan tienwerf zalig ik; het uwe is mijn!



XXXVIII.

Hoe kan ’t mijn Muze aan dichtstof ooit ontbreken,
Zoo lang gij ademt? stroomt dan niet in ’t lied
Uw lieflijk leven over, en verbleeken
Bij zulk een zang gewone lied’ren niet?
O, dank het aan uzelf, als gij in mij
Iets, dat uw lezing waardig is, ontdekt!
Wat stomme wierd niet welbespraakt, als gij
Uw glans laat schijnen en vervoering wekt?
Wees tiende Muze! gij, tienmaal meer waard
Dan de oude negen, die slechts rijmers eeren!
Ja, wie, door u bezield, de lier besnaart,
Die zinge zangen, die den tijd trotseeren!
   Behaagt mijn lied aan deez’ scherpzienden tijd,
   Mijn deel zij moeite, – ù zij zijn lof gewijd!



XXXIX.

Zing ik uw waarde, is dit wel goed en wijs?
Zijt gij dan niet het beet’re deel van mij?
Is ’t nuttig, prijslijk, zoo ’k mijzelven prijs?
En ’k doe dit, als ik u mijn loflied wij.
O, laat mij, daarom juist, ver van u leven;
Men noem’, vriend, u en mij niet langer één;
Dan kan ik u dien lof, die eere geven,
Die mij niet toekomt, neen! maar u alleen.
O, scheiding! welk een mart’ling waart gij, – ach! –
Schonk niet uw eenzaamheid dien troost in ’t leed,
Dat ik uw liefde en trouw bepeinzen mag,
Waarbij de ziel den tijd, zichzelf vergeet,
   En deedt gij één niet twee zijn, zoodat de een,
   Die blijft, hem prijst, die uit het oog verdween.



XL.

Neem, die ik liefheb, neem die allen, vriend!
Hebt gij dan meer dan gij reeds lang bezat?
Meer liefde, die met recht dien naam verdient?
Al ’t mijn’ was ’t uwe, eer gij dit meerd’re hadt!
Bemint gij wat ik min, om mijnentwil,
Dan dient ge u van mijn min, en dit is goed;
Doch niet goed is ’t, kiest ge enkel uit een gril,
Wat gij niet mint, in dart’len overmoed.
’k Wil, dieflief, nimmer van uw roof gewagen,
Al hebt gij heel mijn armoedje’ u gediefd;
Doch, – liefde weet het! – zwaarder is ’t te dragen,
Dat liefde ons krenkt, dan dat de haat ons grieft!
   Gij wulp! bevallig, wat ge ook moogt bedrijven,
   Krenk vrij mij dood, – doch laat ons vrienden blijven!



XLI.

Die kleine zonden, die uw overmoed,
Als mij somtijds uw hart vergeet, begaat,
Staan aan uw schoonheid en uw jonkheid goed;
U volgt verzoeking, waar gij gaat of staat.
Gij zijt zoo zacht, en daarom wel te winnen,
Gij zijt zoo schoon, en daarom veelbegeerd;
Wat vrouwespruit houdt, als een vrouw wil minnen,
Haar onvermurwbaar steeds den rug gekeerd?
Doch hadt gij thans uw vuur, uw minn’lijkheid,
Bedwongen, vriend! mijn lustverblijf ontweken!
Had thans uw jeugd niet zoover u verleid,
Dat gij een dubb’len eed van trouw moest breken:
   Den haren, wijl uw schoon haar tot u troont,
   Den uwen, wijl uw schoon mijn trouw niet loont!



XLII.



Dat gij haar hebt, is niet alleen mijn smart,
Hoewel ’k belijd, ik heb haar veel geliefd;
Maar dat zij ù heeft, dit bezwaart mijn hart,
Dit is een minverlies, dat dieper grieft.
Gij liefdezondaars, ’k wil u zoo ontschuldigen:
Gij mint haar, wijl gij weet, dat ik haar min
En zij ook laat om mijnentwil zich huldigen,
Opdat mijn vriend voor mij haar liefde winn’;
Verlies ik u, het is mijn lief die wint;
Verloor ik haar, mijn vriend is ’t, die haar vond;
Om mijnentwil, – als de een den ander vindt, –
Verlies ik beide’ en krijg van beide’ een wond;
   Maar toch, ’t is heil: mijn vriend en ik zijn een;
   Wat zoete droom! dan mint zij mij alleen!



XLIII.

Luikt slaap mijn oog, dan ziet het best; den luister
Versmaadt het, waar de held’re dag meê praalt;
Doch slaap ik, droomend ziet het u in ’t duister,
En straalt van glans, wijl gij zoo helder straalt.
Verlicht uw schim de schaduw van de nacht,
Hoe zou de vorm, die zulk een schaduw geeft,
Den dag verlichten met veel lichter pracht,
Daar ge als een lichtbeeld zelfs voor blinden zweeft!
O zalig, als mijn oog op u weêr blikt,
In ’t leven van den dag uzelf aanschouwt,
Zoo in den slaap uw schim mijn oog verkwikt,
Schoon doode nacht zijn blik gekerkerd houd’!
   Nacht blijft de dag, aanschouwt mijn oog u niet,
   En nacht wordt dag, zoodra mijn droom u ziet.



XLIV.

Bestond deez’ logge stofklomp uit gedachte,
Geen booze verte, die ’k niet overvloog.
Ik ijlde, wàt mij te weerhonden trachtte,
Wat afstand mij ook scheidde, voor uw oog;
Al stond mijn voet aan ’s aardrijks versten rand,
Hierin waar’ niets, dat zorg of kommer brengt;
Want, o! gedachte spot met zee en land,
Zij is aan ’t doel, zoodra zij ’t doel maar denkt.
Maar ik ben niet gedachte, – en dit is leed;
Ik kan geen mijlen tot u overspringen;
Ik ben uit aarde en water saamgekneed,
En hoe ik klaag, ik kan den tijd niet dwingen;
   Die tragere elementen deelen mij
   Niets mee dan tranen, droef en zwaar als zij.



XLV.

Maar luchte lucht en lout’rend vuur, zij wijlen,
Die beiden, wààr ik toeve, steeds bij u,
Die als gedachte, deze als wensch; zij ijlen
Van hier, terug, in één ondeelbaar nu.
En als dat paar mijn liefde u overbrengt,
Die vluggere elementen, dan ontwijkt
Mij ’t leven, dat slechts leeft, uit vier gemengd;
Het zware paar zinkt nedert, treurt, bezwijkt;
Tot weer de levensstoffen zich vereenen,
Doordat die vlugge boden, licht geschoeid,
Weêrkeeren, en mij lust en kracht verleenen
Door ’t melden, dat gij leeft en hoe gij bloeit.
   ’k Hoor ’t juichend aan; maar zend dan fluks mijn boden
   Terug, – en reken, droef, mij tot de dooden.



XLVI.

Mijn oog strijdt met mijn hart op dood en leven,
Wie recht heeft op ’t bezitten van uw beeld;
Mijn oog wil ’t hart hierop geen aanspraak geven,
Mijn hart verlangt dit recht, en onverdeeld.
Mijn hart bepleit, gij zijt in hem bevat,
Als in een schrijn, nooit met een oog doorboord;
Maar daad’lijk geeft partij het antwoord, dat
In hem uw schitt’rend beeld te huis behoort.
Een rechtbank van gezwoor’nen wordt gekoren,
Gedachten, allen aan het hart gehecht,
Die oog en hart nu als gedaagden hooren;
Zij keuren, beiden gunstig, dit als recht:
   Het deel van ’t oog zij ’t schoon, dat u omhult,
   Van ’t hart, de liefde, die uw hart vervult.



XLVII.

Mijn oog en hart, zij sloten een verdrag
En zijn nu tot elkanders hulp gereed;
Versmacht het dorstig oog naar lonk of lach,
Of zucht en zwijmt het hart van minneleed,
Dan laaft mijn oog zich blijde met uw beeld,
En noodt het hart zich mee daaraan te laven,
Of ’t harte noodt het oog te gast en deelt
Het mingedachten mede als zoetste gaven;
Zoo zijt gij, door uw beeld of door mijn min,
Al wijlt gij ver, steeds bij mij; vlucht gij schuw,
O, mijn gedachten halen u wel in,
En ik ben steeds bij haar en zij bij u;
   Of slapen zij, uw beeld laat haar geen rust,
   Maar wekt mijn hart tot harte- en oogenlust.



XLVIII.

Wat wijdde ik, bij ’t op reis gaan, vele zorgen
Aan have en goed! wat heb ik menig vod,
Dat dieven uit kon lokken, goed geborgen,
Als ware ’t kost’lijk, achter dubbel slot!
Doch gij, meer waard dan ’t allerkost’lijkst goed,
De troost, thans, – ach! – de droef’nis van mijn leven,
Mijn schat, mij dierbaar als mijns harten bloed,
Gij bleeft aan roof en diefstal prijsgegeven.
U wilde ik in geen schrijn, geen kerker prangen,
Ik heb u met mijn borst, – waar gij niet zijt,
Maar waar ’t mij is, alsof ge er zijt, – omvangen,
Waar ge uit en in kunt gaan, voor dwang gevrijd;
   En daar zelfs, vrees ik, steelt men u, mijn lief,
   Want zulk een schat maakt eerlijkheid tot dief.



XLIX.

Komt eens de tijd, – is ooit de tijd zoo wreed, –
Dat u het zien van mijn gebreken stuit,
En, door koelzinnig reek’nen overreed,
Uw hart de reek’ning zijner liefde sluit;
Komt eens de tijd, dat liefde in haat verkeert,
En gij mij bij ’t voorbijgaan nauw’lijks kent,
Uw oog, die zon, mij met geen groet vereert,
En gij met deftige’ ernst u van mij wendt;
Komt eens die tijd, gewapend vindt hij mij
In ’t diep besef van mijn onwaardigheid;
Ik hef de hand en strijd aan uwe zij,
Tot kampen met mijzelf geheel bereid;
   Verstoot gij mij, rampzaal’gen, ’t is naar recht,
   Ikzelf weet niet, wat band aan mij u hecht.



L.

O, welk een reis! hoe zwaar valt mij de weg,
Nu ik, hoewel het lichaam rust begeer’,
Geen rust vind, maar na ied’ren dagrit zeg:
„Ach! vàn mijn vriend weer zooveel mijlen meer!”
De klepper, die mij draagt, is door mijn leed
Te zwaar belast en strompelt traag’lijk voort,
Alsof het beest door zijn instinct het weet,
Dat spoed, die vàn u wegvoert, mij verstoort.
En druk ik soms, vergramd, recht diep de sporen
Hem in de flank, dit drijft hem niet tot spoed;
Hij laat dan slechts een droevig kreunen hooren,
Dat meer mij grieft, dan hem de spoor het doet;
   Want door dien kreun wordt dit me op nieuw bewust:
   Mijn leed ligt voor mij, achter mij mijn lust.



LI.

Mijn paard was traag bij ’t gaan; die langzaamheid
Verschoon ik gaarne en prijs het dier veeleer;
Want waartoe spoed, wanneer ik van u scheid?
Geen haast is noodig, eer ik tot u keer.
Doch o! hoe zal mijn dier verschooning vinden,
Als ik de snelste snelheid traagheid acht?
Dan spoorde ik, zelfs al reed ik op de winden;
Geen aad’laarsvlucht, die ik niet roerloos dacht!
Dan houdt geen draver mijn verlangen bij;
’t Verlangen, spruit der reinste liefde, los
Van ’t stof, snuift vlammen, voert mij aan uw zij;
Doch liefde ontschuldigt liefd’rijk dus mijn ros:
   „Liep hij bij ’t gaan van u met opzet traag,
   Thans stapp’ hij vrij, ik ben ’t, die ren en jaag.”



LII.

’k Ben dus een rijkaard, wien zijn sleutel stil
Zijn weggesloten schat kan doen bespieden,
Doch die niet daag’lijks hem aanschouwen wil,
Wijl ’t zeldzaam zien verfijnd genot kan bieden.
Want wat verleent aan feesten heerlijkheid?
Zij komen zeldzaam, als een diamant,
Hier, daar in ’t jaar gezet, en ver verspreid,
Als flonkerbaggen in een halskarkant.
Zoo is de tijd, die u bewaart, mijn schrijn,
Die ’t rijk gewaad omkerkert, dat den dag,
Den feestdag dubbel feest’lijk mij doet zijn,
Waarop ik ’t zien, zijn pracht ontplooien mag.
   Heil u! want door uw waarde triumfeert.
   Wie u bezit, en hoopt, wie u ontbeert.



LIII.

Uit welk een stof riep u natuur in ’t leven,
Dat duizenderlei schaduw u geleidt?
Eén schaduw slechts kan ieder, ieder geven,
U volgt de schim van ied’re heerlijkheid.
Adonis’ beeld, aanschouw het; is het niet
Een flauwe schaduw van uw heerlijk schoon?
Wie Helena den palm der schoonheid biedt,
Reikt hij niet u, in Griekschen dos, de kroon?
Roem lentes bloei, den gullen tijd van de’ oogst;
De een is een schim van uwe lentepracht,
En uwe gulheid schat een elk het hoogst:
Gij leeft in al wat kost’lijk wordt geacht.
   Van elk uitwendig schoon hebt gij uw deel;
   In trouw zijt ge eenig, die hebt gij geheel.



LIV.

O, hoeveel schooner wordt de schoonheid toch,
Als echte trouw haar hooger schoonheid geeft!
De roos is schoon van kleur, maar schooner nog
Maakt haar de zoete geur, die in haar leeft.
De haagroos heeft een even warmen gloed
Van kleuren, als de geurigste echte roos;
Als zomerâam haar ’t knopjen oop’nen doet,
Trilt ze evenzoo bij dartel windgekoos.
Maar al die heerlijkheid, haar kleur, verschiet;
Zij sterft, en nooit meer wordt haar lof gehoord;
Doch zoo vergaat het echte roosjen niet,
Want na zijn sterven leeft zijn geur nog voort.
   Verwelken, lieve jong’ling, schoon en jeugd,
   Mijn lied bewaart uw geur, uw trouw en deugd.



LV.

Geen marmerbeeld, geen vorst’lijk grafgesteent’,
Dat dit mijn machtig lofdicht overleeft,
Dit lied, dat hooger roem en glans u leent,
Dan steenen, waar de Tijd zijn smet aan kleeft.
Als de Oorlogsgod standbeelden nedervelt,
En muren omstort met zijn ijz’ren hand,
Dan leeft ge in ’t lied, dat uwen naam vermeldt,
Dat staal niet doodt, geen krijgsvuur ooit verbrandt.
Of Dood en of Vergetelheid ook tracht’
Vijandig u te deren, gij leeft voort,
Voor de oogen zelfs van ’t verste nageslacht,
Dat aan der dagen eind het oordeel hoort,
   Leeft, tot gijzelf verrijst, aan ’t stof onttogen,
   In dit mijn dicht, en woont in vriendenoogen.



LVI.

Vernieuw, o zoete liefde, steeds uw kracht;
Duld niet, dat honger ooit beschaamd u maakt,
Die heden wel door voedsel wordt verzacht,
Doch morgen weer in al zijn macht ontwaakt;
Wees hem gelijk, o liefde; zijn uw oogen,
Hoe hong’rig, heden toch verzaad en moe,
Dat morgen ied’re matheid zij vervlogen,
En, blijvend, liefdes geest niet sterven doe;
Deez’ droeve tusschentijd zij als een zee,
Die pas verloofden scheidt; zie, daag’ lijks staan
De twee aan strand; te grooter, meer dan ’t wee,
Is ’t juub’len, breekt de dag van weêrzien aan;
   Of noem hem winter, die, vol angst en pijn.
   Des zomers heilgroet driewerf zoet doet zijn.



LVII.

Ik ben uw slaaf en daarom steeds bereid
Tot alles, waar gij mij bevel toe geeft,
Een slaaf, die uw verlangen steeds verbeidt,
Die voor zichzelf geen kostlijke uren heeft,
Niet waagt den gang van ’t eindloos slepend uur
Te gispen, als gij, vorst, hem wachten doet,
Niet klaagt, al valle ’t afzijn hem ook zuur,
Wanneer uw dienaar u verlaten moet,
Niet toelaat, dat zijn argwaan ooit u krenk’
En naga, wat gij doet, waarheen gij ijlt;
Neen, roerloos wacht ik als een slaaf, en denk
Aan niets – dan ’t heil van hen, bij wie gij wijlt.
   Liefde is een trouwe nar, want, ja, – begin
   A1 wat gij wilt, zij ziet geen kwaad er in.



LVIII.

Dat weer’ die god, die tot uw slaaf mij maakte,
Dat ik, wat ge in mijn afzijn ooit verricht,
U vroeg, of in den geest uw doen bewaakte;
Ik, uw vazal, tot elken dienst verplicht!
O! dat ik, in ’t bereik van uwen wenk,
Geboeid het missen uwer vrijheid duld’,
Mak alles draag’, wat grievends mij ook krenk’,
En nimmer klaag’, of u beticht’ van schuld!
Wees waar ’t u lust; gij hebt het vorstlijk recht
Zelf te bepalen, hoe ge uw tijd besteedt
Aan wat gij wilt; geen macht, die u ontzegt
Zelf te vergeven, wat gijzelf misdeedt.
   Wat u behaag’, ’t moog’ goed of kwalijk zijn,
   Ik wacht en dien, al zij dit hellepijn.



LIX.

Is niets ooit nieuw, maar is al wat bestaat
Reeds eer geweest, hoe kan ons brein zich plagen
Met weer iets ouds te ontdekken, zonder baat
De weeën van een vroeger kind te dragen?
O, dat mijn geest in vroeg’ren tijd kon dringen,
In een oud boek uw beelt’nis vinden mocht,
Toen pas, voor meer dan duizend zonnekringen,
De geest in schrift zich uit te drukken zocht!
Hoe gaarne zage ik, hoe die ouden prezen
Uw wonderschoonen bouw, en of de mensch
Nu beter is of slechter dan voordezen,
Of went’lend weerkeert tot dezelfde grens;
   Neen, ’k weet, dat dichters van die vroeg’re tijden
   Aan uwe mind’ren lof en hulde wijdden.



LX.

Als golf op golf naar ’t kiezelrijke strand,
Zoo spoeden naar haar eind minuten voort;
Elk dringt de vorige uit haar plaats, en spant
Zich in, steeds door de volgende aangespoord.
Wat eens het licht zag, komt slechts langzaam aan
Tot vollen, rijken glans, en al zijn pronk
Heeft met verduist’ring zwaren strijd; vergaan
Doet ras de Tijd, wat hij zoo mild eens schonk;
De Tijd doorpriemt den rijksten blos der jeugd,
En voort zijn lijnen op het schoonst gelaat;
Geen schoon verbidt zijn hand, geen waarde of deugd;
Zijn sikkel treft, wat rijp en heerlijk staat;
   Maar toch, mijn dicht, u, uw waardij gewijd,
   Trotseert den Tijd, zijn sikkelslag ten spijt.



LXI.

Is dat uw wil, dat staâg mijn oog u ziet,
Geen slaap mij sterkt en traag de nacht verstrijkt?
Is dat uw wensch, dat sluim’ring mij ontvliedt,
Door ’t rijzen van een schim, die u gelijkt?
Is dat uw geest, dien gij van zoo ver af
Als een spion op mij hebt afgezonden,
Om, als ik recht tot ijverzucht u gaf,
U al mijn schuld en dwaasheid te verkonden?
O neen, uw liefde is groot, doch zoo groot nimmer;
’t Is mijne liefde, die mij slaap’loos maakt,
Mijn eigen trouwe liefde, die mij immer
Mijn rust ontrooft, om uwentwille waakt.
   Ik waak om u, gij elders, ver van mij,
   Ach, veel te ver, en and’ren te nabij!



LXII.

Wat zondige eigenliefde heeft mijn oogen,
Geheel mijn ziel, mijn ik geheel besmet!
Die zonde in mij te delgen, – ijdel pogen!
Zij heeft zich in mijn hart te vast gezet.
Met mijn gelaat, mijn leest en mijne trouw
Is geen gelaat, leest, trouw te vergelijken;
En, moet ik zeggen, waar ik ’t zelf voor hoû,
’t Is: ieder moet voor mij de zeilen strijken.
Doch als mijn spiegel, hoe ik ben, mij leert,
Door ouderdom getaand, gebeukt, versleten,
Dan keer ik van mijzelf mij af; verkeerd,
Ja zondig waar’ ’t, mijzelf zoo schoon te weten.
   Mijn ander ik, gijzelf, schenkt mij deez’ vreugd,
   Mijn ouderdom blanket zich met ùw jeugd.



LXIII.

Waan niet, dat gij de hand des Tijds weerstaat,
Ach, vriend! zoo min als ik; eens zullen zorgen
Ook u haar voren groeven op ’t gelaat,
Ook uw bloed drinken; ook uw jonge morgen
Komt, ouder, aan de steilte van de nacht,
En alle schoonheid, die tot vorst u kroont,
Ontsluipt u eens met al de bloesempracht
Der lente, die u thans op ’t voorhoofd troont;
Dien tijd voorziend, rust ik ten strijd mij toe,
En ga ik ’t grimmig jarenmes te keer,
Opdat het, schoon het u zelfs sterven doe,
De heug’nis van uw schoonheid nimmer deer’!
   Mijn zwarte regels stellen haar in ’t licht;
   Steeds groent ze en bloeit, want eeuwig is mijn dicht.



LXIV.

Zie ik, hoe fel de hand des Tijds de pracht
En praal verdierf van lang begraven tijd,
Hoe trotsche torens zijn ten val gebracht,
En eeuwig brons door sterv’lingswoede ontwijd;
Zie ik, hoe de oceaan, een wolf gelijk,
Aan ’t koninkrijk des oevers afbreuk doet,
En ’t vaste land dringt in der waat’ren rijk,
Zijn goed vermeerd’rend met verloren goed;
Zie ik al ’t aardsche tuim’len in ’t gewoel,
Het grootste klein, den helsten glans gedoofd,
Dan geeft al dat vergaan mij ’t voorgevoel,
Dat eens de Tijd ook mij het liefste ontrooft;
   O, die gedachte is dood; mijn tranen stroomen
   Van angst, dat wat ik heb, mij wordt ontnomen.



LXV.

Zoo brons en steen en aarde en oceaan
Moet bukken voor des Tijds vernielingsmacht,
Hoe zal zijn woede schoonheid wederstaan,
Zij, die een teed’re bloem gelijkt in kracht!
Hoe zou des zomers zoete geur niet wijken,
Voor ’t stormen van des Tijds geduchte vlagen,
Als onverwrikb’re rotsen zelfs bezwijken,
En stalen poorten brokk’len voor zijn slagen?
O schrikbeeld! waar blijft Tijds juweel behoed,
Verborgen voor de schatkist van den Tijd?
Wiens ijz’ren hand weerhoudt zijn snellen voet?
Wie keert het af, dat hij het schoonste ontwijdt?
   O, niemand! zoo dit wonder niet geschiedt,
   Dat inktzwart u een held’ren luister biedt.



LXVI.

Dit alles moe, verlang ik de eeuw’ge rust;
Verdienste zie ik bedelarm en naakt,
’t Nietswaardig niets omringd van weelde en lust,
De reinste trouw door meineed boos verzaakt,
En maagd’lijke eer met ruw geweld verkracht,
Den fielt omkleed met gulden eergewaad,
Den schoonsten geest belasterd en veracht,
En kracht verkeerd geleid, gedoemd tot smaad,
Aan kennis door gezag de tong geboeid,
En dwaasheid, die aan wijsheid wetten stelt,
En eerlijkheid als dom en dwaas verfoeid,
En boosheid, die het brave in kluisters knelt; –
   Dit alles moe, ging ik volgaarne heen,
   Bleef na mijn dood mijn liefde niet alleen.



LXVII.

Ach, waarom moest hij in deez’ smetlucht leven
En siert zijn bijzijn godd’loos doen? waarom
Mag zonde zich door hem nu aanzien geven
En is haar zijn gezelschap adeldom?
Wat bootst blanketsel zijne wangen na,
Het doode rood den gloed van zijn gelaat?
Wat slaat onschoonheid zijne rozen gâ,
En zoekt in schimmen van die echte baat?
Ach, dat hij, nu Natuur bankroet is, leeft,
Nu heel haar schat verdween van levend bloed!
Want, schoon ze op velen zich beroem’, zij heeft
Niets kost’lijks meer; hij is haar laatste goed.
   Ja, zijnen rijkdom hield zij nog, opdat
   Men zie, wat ze eens, in beet’ren tijd, bezat.



LXVIII.

Zoo is hij ons een beeld uit beter dagen,
Toen schoonheid leefde en stierf als bloemen thans,
Eer schoonheids basterdteeken werd gedragen,
En ’t voorhoofd driest gesierd met valschen glans;
Eer gouden lokken, aan het graf geroofd,
Van dooden afgemaaid, een tweede leven,
Een valsch, begonnen op een tweede hoofd,
Eer schoonheids dood aan and’ren schoon moest geven.
Hij toont ons de’ ouden tijd, die nog ’t geloof
Bezitten mocht aan ongelogen schoon,
Geen zomer schiep met vreemd, gestolen loof,
Niets ouds als nieuwe schoonheid droeg ten toon.
   Natuur heeft hem als toonbeeld uitgelezen,
   Dat wankunst zie, wat schoonheid was voordezen.



LXIX.

’t Is schoon, wat ’s werelds oog steeds van u ziet,
Geen menschenziel, die ’t ooit zich schooner denkt;
En ieders tong, de tolk der ziele, biedt
U waren lof, zooals een vijand schenkt.
Al wat gij toont, ontvangt betoon van eer;
Maar de eigen tongen, die u ’t uwe geven,
Herroepen haren lof, wanneer zij meer,
Dan de oogen zagen, te doorgronden streven.
De ziel vraagt naar uw zieleschoon; dit kan
Zij gissen slechts uit uwer daden roem;
Voldaan is ’t oog, maar ach, zij speurt alsdan
Den reuk van onkruid aan uw schoone bloem.
   Van waar die geur aan wat zoo heerlijk bloeit?
   De grond is, dat gij onder onkruid groeit.



LXX.

Werpt men een blaam op u, het dere u niet;
Naar ’t schoonste strekt de laster ’t eerst de klauw;
Verdenking is ’t, die schoonheid luister biedt.
Zooals een kraaienvlucht aan ’s hemels blauw.
Wees gij slechts goed, dat smalen wordt uw roem,
Te heller straalt uw waarde met den tijd:
Der boosheid worm zoekt juist de schoonste bloem,
En uwe bloem is blank en onontwijd.
Ge ontkwaamt den hinderlagen van de jeugd,
Versloegt den vijand of bleeft ongemoeid;
Toch geeft deez’ roem dien roem niet aan uw deugd,
Dat zij den nijd bedwingt, die daag’lijks groeit.
   Bezwalkte uw’ glans geen laster met zijn zwart,
   Dan waart gij koning over aller hart.



LXXI.

Treur, als ik sterf, niet langer om mijn dood,
Dan ’t klokgebom, met doffen, droeven toon,
Aan de aard verkondigt, dat ik al haar nood
Ontweek en in het rijk der wormen woon;
Neen, denk niet, als gij deze regels leest,
Aan wie ze schreef; de liefde, die ik voed,
Zij smeekt u: „roep mij nimmer voor den geest,
Als de gedachte aan mij u weenen doet.”
Ja meer, komt dit gedicht u onder ’t oog,
Wanneer mijn stof aan ’t stof is weergegeven,
Noem, fluist’rend zelfs, mijn naam niet; veeleer moog’
Uw dierb’re liefde sterven met mijn leven;
   De wijze wereld mocht uw smart eens raden,
   En nog om mij, die niet meer ben, u smaden.



LXXII.

Opdat de wereld u niet lastig zij
En afvraag, wààrom gij mij liefde gunt,
Zelfs na mijn dood, – vergeet mij, vriend! in mij
Is niets, wat ge uwer waardig noemen kunt.
Tenzij ge een vromen leugen wilt bedenken,
Meer voor mij doen, dan ik ooit zelf volbracht,
Den doode meerder lof zoudt willen schenken,
Dan ooit de kaar’ge waarheid billijk acht.
O! laat men nooit uw liefde valschheid heeten,
Omdat zij valschen lof mij schenkt; mijn naam
Zij met mijn stof begraven en vergeten,
Leev’ niet opdat hij u en mij beschaam’:
   Mij, want mijn lied’ren, u ter eer, zijn niets,
   U, want gij telt mijn waard’loos niets voor iets.



LXXIII.

Dat jaartij ziet ge in mij, waarin de wind
Zijn spel drijft met het gele loof, de twijgen
Van koude rillen, en ge een bouwval vindt,
Waar ’t voog’lenkoor zijn loflied op deed stijgen;
Die scheem’ring ziet ge in mij, die achterblijft,
Als in het westen duikt der zonne gloed,
Maar die de zwarte nacht allengs verdrijft,
Dat beeld des doods, dat alles rusten doet;
Den laatsten glim ziet ge in mij van het vuur,
Dat in zijn jeugd eens vlamde en nu op de asch,
Als op het doodsbed, ligt; in ’t nakend uur
Versterft de gloed, die heel zijn leven was.
   Dit ziet ge, en nieuw versterkte liefde drijft
   Tot hem u nader, die slechts kort u blijft.



LXXIV.

Doch wees getroost! Wanneer dat streng gericht,
Waar geen beroep van is, van hier mij drijft,
Dan leeft een deel van mij in dit gedicht,
Dat eeuwig ter herinn’ring bij u blijft;
Ziet gij het door, dan ziet ge, of iets van waarde,
Dat u was toegewijd, ten deel u viel;
Stof keer’ tot stof, dat zij het deel der aarde,
Uw deel is ’t beter deel, mijn geest, mijn ziel.
Wat gij verliest, het is de drab van ’t leven,
De buit van wormen, wien gij ’t gaarne schenkt;
De aartsmoord’naar moge er vrij den dood aan geven,
Het is onwaardig, dat gij ’t ooit herdenkt.
   De waarde er van is dat, wat het bevat;
   Dat hebt gij hier, en dit blijv’ steeds uw schat.



LXXV.

Gij zijt mijn ziel, wat brood is voor het leven,
Wat warme regens zijn voor ’t dorstig veld;
En uw bezit verwekt mij vrees en beven,
En vreugd en strijd, gelijk den vrek zijn geld.
Nu jubel ik, dat ik u mijn mag heeten,
Dan ducht ik, dat de wereld u mij steel’;
Nu school’ ’k met u liefst weg, van elk vergeten,
Dan toonde ik liefst der wereld mijn juweel;
Nu drink ik hemelwellust uit uw oogen,
Dan smacht ik, dat ik éénen blik erlang’;
Niets wensch ik, niets bezit ik opgetogen,
Dan wat ik hoop van u, van u ontvang.
   Zoo leef ik, daag’lijks, naar uw blik zich wendt,
   In weelde en lust, of kommer en ellend’.



LXXVI.

Waarom versmaad ik, mijn eenvoudig lied
Met telkens and’re vonden op te smukken?
Waarom beproef ik, velen volgend, niet,
Mij nieuw en vreemd en zwierig uit te drukken?
En waarom kleed ik, wat ik denk en dicht,
Steeds in hetzelfde, lang bekend gewaad?
Geen enkel woord, of ’t brengt mijn naam aan ’t licht,
Geen enkel, dat zijn oorsprong niet verraadt!
O, weet, mijn lieve, ’k zing van u alleen;
Mijn lied dankt u en mijner liefde ’t leven;
’k Voeg enkel oude woorden nieuw aaneen,
En ’k geef niet anders dan ’k reeds heb gegeven;
   Gelijk de zon bij op- en ondergang,
   Is oud en daag’lijks nieuw toch mijn gezang.



LXXVII.

Uw spiegel toont u, hoe uw schoon vergaat,
Uw zonnewijzer, hoe uw tijd zich spoedt;
En bij deez’ leêge bladen vindt gij baat,
Zoo gij ze uws geestes afdruk dragen doet;
Dat rimp’len, dat uw spiegel eens doet zien,
Vermaant u, dat een open graf u beidt;
De schaduwlijn, door ’t sluipend voorwaarts vliên,
Hoe sluiks de tijd zich eent met de eeuwigheid.
Zie, wat gij kunt vergeten, schrijf het neer,
Op deze witte zijden; gij bevindt,
Ziet gij die kind’ren van uw brein eens weer,
Dat de omgang hen op nieuw aan u verbindt.
   O, ’k wensch, dat vaak uw geest hier heil in zoek’!
   ’t Is u tot nut, en het verrijkt dit boek.



LXXVIII.

Zoo vaak riep ik als mijne Muze u aan,
En zoo bezielend was voor mij uw gunst,
Dat elk thans doet, wat ik steeds heb gedaan,
En u als schutsgod huldigt zijner kunst.
Straalde eerst uw oog, zoodat de stomme zingt,
En trage botheid opstijgt in de lucht,
Thans schenkt het nieuwe glansen aan wat blinkt,
En nieuw gevederte aan geleerdheids vlucht.
Toch, stel uw hoogsten roem in mijne zangen;
A1 is ’t, dat gij aan and’ren luister geeft,
Van u hun kunst verfijning mag ontvangen,
De mijne dankt u, dat zij is en leeft;
   Mij zijt gij al mijn kunst; ja, gij verheft
   Mijn botheid, dat zij kennis overtreft.



LXXXIX.

Toen ik alleen nog smeekte om uwe gunst,
Leefde al uw lieflijkheid in mijne zangen;
Doch thans ontweek die lieflijkheid mijn kunst,
Mijn Muze is krank en zwak, en nu vervangen.
Ach! wel verdient een zangstof zooals gij,
Dat beter zangers uwen roem herdenken;
Maar toch, wat lied u ooit uw dichter wij,
Hij stal ’t van u, om ’t u terug te schenken.
Hij leent u deugd, ’t is aan ùw zijn en leven,
Dat hij het woord ontstal; hij schenkt u schoon,
Uw wang gaf hem ’t begrip; niets kan hij geven,
Of ’t leeft in u, zit lang in u ten troon.
   Dies, dank hem niet zoo hij u lieflijk maalt;
   Kwijt hij zijn schuld, gij zijt het die betaalt.



LXXX.

Wat ben ik, als ik van u zing, versaagd,
Daar thans een grooter geest uw naam verheft,
Met stoute vlucht dien tot de sterren draagt,
Mijn tong, u lovend, met verstomming treft!
Doch wijl uw waarde, groot als de oceaan,
En kleine èn trotsche zeilen wel wil dragen,
Zoo durft, hoe laag bij zijn galjoen, mijn kaan
Zich op uw wijd gebied vermetel wagen.
Ik zoek aan uwe luwe zoomen baat,
Terwijl uw peilloos diep hèm hobb’len doet;
En strand ik, ’t is een bootjen, dat vergaat,
Hij is een zeekasteel, vol kostlijk goed;
   Aanvaardt gij hem, terwijl ge mij verstoot,
   Het moog’ zoo zijn, – mijn liefde was mijn dood.



LXXXI.

’t Zij ik eenmaal uw grafschrift u zal schrijven,
’t Zij gij ’t beleeft, dat ik tot stof verga,
Gij zult, den dood ten trots, op aarde blijven,
Schoon niets van mij vergetelheid weersta.
Uw naam zal eeuwig, onverderflijk leven,
Schoon niemand later mijns gedenken moog’;
Laat een vergeten graf mij de aarde geven,
Gij rust toch in der menschen ziel en oog.
Uw eerzuil is, wat ik u heb gezongen,
Van ongeboren oogen eens de lust;
Uw aanzijn wordt geroemd door toekomsttongen,
Als wat de lucht thans ademt, eeuwig rust;
   Dan leeft gij, – wijl mijn lied uw lof verkondt, –
   Door ’s levens aâm bezield, in aller mond.



LXXXII.

Gij hebt, ’t is waar, mijn Muze nooit getrouwd,
En ontrouw pleegt gij niet, wanneer de woorden,
Waarmede elk dichter uw verdienste ontvouwt
En u zijn boeken eigent, u bekoorden;
Gij, even schrander als gij schoon zijt, weet,
Hoe uw waardij mijn roemkunst overtreft;
Vandaar zoekt gij een ander, die, doorkneed
In nieuw’re kunst, uw roem ten hemel heft.
Het zij zoo, vriend; maar hebt gij hunne gaven,
Hun redeknuts’len eens bewonderd, dan
Moog’ ’t waar gevoel, de ware taal u laven,
Waarmede uw ware vriend u roemen kan;
   Hun schild’ren kwaam’ te pas bij een gelaat,
   Waar ’t bloed ontbreekt; bij u is ’t overdaad.



LXXXIII.

’k Zag nooit, dat gij blanketsel noodig hadt,
En kleurde dies uw schoon nooit op; te groot
Heb ik uw rijkdom steeds geacht, dan dat
Niet waardloos bleek, wat u een dichter bood;
En daarom sliep mijn roemen in; ik dacht:
„Nu treedt gij zelf in ’t licht, en toont, hoe ver
Een dichterstift te kort schiet, als zij tracht
Den glans te teek’nen van een flonkerster.”
Doch gij misduidt mijn zwijgen, ’t heet een gril;
Maar ’t is mijn roem, ik keur het spreken af;
Mijn zwijgen krenkt geen schoon; een ander wil
De schoonheid leven doen en stort ze in ’t graf.
   In een van beide uw oogen leeft meer leven,
   Dan beide uw dichters saâm u kunnen geven.



LXXXIV.

Roemt een u meer dan ik? Wat overtreft
Mijn lof: „Gij zijt uzelf en niemand meer”?
Omvat dit woord niet uw waardij? verheft
Het u tot toonbeeld niet van deugd en eer?
Die stift is arm en machtloos die haar held
Niet schoone trekken, hoogen luister biedt;
Maar wie van u schrijft en slechts dit vermeldt,
Dat gij uzelf zijt, adelt reeds zijn lied;
Hij heeft, wat gij laat lezen, na te schrijven,
Hij stelle uw schoon slechts op het juiste licht,
En zijn kopie zal steeds bewonderd blijven,
Zij heet alom het heerlijkst lofgedicht.
   Maar waak! één worm bewoont uw schoonheidsbloem;
   Gij dorst naar lof, ten koste van uw roem.



LXXXV.

Bescheiden, stil, staat mijne Muze, en zwijgt,
Terwijl uw lof, door lied op lied gevierd,
Op gulden wieken hoog en hooger stijgt,
Door alle Muzen kostlijk schoon gesierd.
Ik denk goed, en die and’ren schrijven goed,
En ’k roep, gelijk een koster, hartlijk: „Amen!”
Bij iedre hymne, die mij kennen doet,
Wat fijne geesten u tot zangstof namen.
Ik zeg, hoor ik uw lot: „Ja, dat is waar;”
Mijn zwakke hulde voeg ik bij hun hulde;
Doch stil, in ’t hart, dat zwijgen moge, maar,
Al hinke ’t woord, nooit liefde vóór zich duldde;
   Schat de and’ren om hun kunst, die sierlijk smeekt,
   Mij om mijn hart, dat, spraakloos, werklijk spreekt.



LXXXVI.

Heeft het gezwollen zeil van zijne zangen,
Koers zettend naar den hoogsten prijs, naar u,
De kind’ren van mijn brein door schrik bevangen,
Doen sterven waar ze ontsproten, bleek en schuw?
Was het zijn geest, door geesten afgericht
Tot hoogre kunst, die mij ten onder bracht?
Neen, niet zijn geest verstomde mijn gedicht,
Ook de and’ren niet, zijn helpers in de nacht.
Hij, noch die dienstb’re geest, die bij hem woont,
Hem ’s nachts zijn leugenpraatjes blaast in ’t oor,
Poch’, dat hij nu zijn macht eens heeft getoond,
Dat ik van angst èn moed èn spraak verloor;
   Neen, neen; doch toen zijn kunst uw gunst verwierf,
   Toen miste ik zingensstof, mijn zang verstierf!



LXXXVII.

Vaarwel! te groote schat zijt gij voor mij!
En zeker kent gij thans uw eigen waarde;
Het voorrecht uwer waarde spreekt u vrij;
De schenking, die ’k in handen heb, verjaarde.
’k Heb u door schenking, doch kan dit u binden?
Heb ik verdiensten voor zoo rijk een gave?
Bij mij is voor uw gift geen grond te vinden;
En dies keert tot u weer mijn kostb’re have.
Gij schonkt uzelf, uw waarde niet bedenkend,
Of u in mij, wien gij u schonkt, vergissend;
Wat gij eens afstondt, onbedachtzaam schenkend,
Herneemt gij thans, u beter vergewissend.
   ’k Was rijk in u, rijk als ons droomen maken,
   In slaap een vorst, een beed’laar bij ’t ontwaken.



LXXXVIII.

Drijft u een luim ooit aan, dat gij mij smaadt,
Op mijn verdienste uw hekelpijlen richt,
Dan wil ’k mijzelf bestrijden, u ten baat,
En stel uw valschheid als een deugd in ’t licht;
Bekend, ook met mijn heimlijkste gebreken,
Geef ik u steun, als ik mijn feilen noem,
Waar niemand dan ikzelve van kan spreken,
En dat gij mij verliest, verhoogt uw roem;
Doch zoo win ik dan zelve niet het minst;
Want al mijn denken, al mijn min zijt gij;
En zoo is ’t leed, dat ik mijzelf doe, winst;
Is ’t u van nut, van dubbel nut is ’t mij.
   Zoo min ik, zoo vervult gij heel mijn hart,
   Dat smaad, dien ’k u ten bate draag, niet smart.



LXXXIX.

Verklaar, dat ik mijn trouw aan u verzaakte,
En ik bewijs, dat ik u heb beleedigd;
Noem mij verlamd, en ’k loop als een geraakte,
Want tegen u wordt niets door mij verdedigd.
Gij kunt mij, lieve, half zoo niet onteeren,
Om ’t wiss’len van uw min te verontschuldigen,
Als ik het zelf doe; ’k wil op uw begeeren
Een vreemde u zijn, alleen om u te huldigen;
Ik wil u uit den weg gaan; niemand hoort
Uw dierb’ren naam ooit noemen van mijn mond,
Opdat geen enkel heiligschennend woord
Onze’ omgang ooit verrade of ooit u wond’.
   Ik zweer, dat ik voor u mijzelf bestrijd,
   Want wien gij haat, zij nooit mijn min gewijd.



XC.

Zoo haat mij, als gij wilt; zoo ooit, dan nu,
Nu ’t menschdom mij met slag op slag wil slaan;
Geef mede, nu mij ’t onheil jaagt, een duw,
En kom niet met uw krenking achteraan;
Volg niet, als ’t hart ontkwam aan deze zorgen,
In de achterhoede van ’t bedwongen leed;
Kom na de stormnacht niet als regenmorgen;
Schort niet den aanslag op, door u gesmeed;
Valt gij mij af, o, doe het niet eerst dan,
Als and’re kleine smarten ’t hare deden;
Neen, storm vooruit; het lot doe wat het kan,
En ’t ergste leed zij nu het eerst geleden;
   Want ander nijpend wee, schoon ’t leed nu schijn’,
   Zal, bij ’t verlies van u, geen leed meer zijn.



XCI.

Deez’ stoft op zijn geboort’, die op zijn geld,
Deze op zijn kunst, die op zijn lichaamskracht,
Deze op zijn kleed’ren, schoon het snit hem knelt,
Die op zijn hond, of paard; of valkenjacht;
Zoo heeft een elk iets, wat hem vreugde biedt,
En voor ’t verkrijgen heeft hij alles veil;
Doch zoo bekrompen is mijn maatstaf niet;
Oneindig grootscher is mijn eenig heil:
Uw liefde is meer dan adeldom voor mij,
Schenkt meer genot dan valk of hond of paard,
Geldt meer dan goud of prachtige kleedij,
U roem ik als mijn trots, mijn al op aard.
   Helaas, dat ge alles, wat gij thans mij gunt,
   Hernemen, en me ellendig maken kunt!



XCII.

Doch doe het ergste wat gij kunt: ontvlied!
Gij blijft de mijne toch voor heel mijn leven;
Mijn leven overleeft uw liefde niet,
Uw liefde alleen kan ’t duur en waarde geven.
Uw ergste krenking maakt mij niet verschrikt,
Uw minste reeds verschaft mijn ziele rust;
Ja, ’k zie, mij is een heerlijk lot beschikt;
Ik sidder niet voor uwe luim, uw lust:
Ik lijd, ik kwijn niet door uw wankelheid;
Uw eerst verraad doet mij reeds ’t leven derven;
Zoo is mij tweederlei geluk bereid:
Uw liefde is mij geluk, geluk het sterven!
   Maar toch, – geen hemel, die zijn wolkjen mist! –
   Gij kondt mij ontrouw zijn, dat ik ’t niet wist!



XCIII.

Ja, ’k waar’, zoo ik ten onrecht trouw u acht,
Als een bedrogen gade; ’t lief gelaat
Scheen wis mij liefdrijk nog, uw blikken dacht
Ik wis nog de oude, al broedde uw hart verraad;
Want daar geen haat ooit zetelt in uw oog,
Kan niets mij kennis van uw afval geven;
In and’rer blik is, hoe het hart bedroog,
Met duid’lijk schrift, met plooi en frons, geschreven;
Doch uw geboort’ bescheen deez’ hemelzegen,
Dat in uw blik steeds lieflijke eenvoud woont,
En, welke, stormen uw gemoed bewegen,
Op uw gelaat de liefde zelve troont.
   Als Eva’s appel is uw schoone jeugd,
   Omhult uw schijn geen hart, vervuld van deugd!



XCIV.

Wie macht heeft om te schaden en ’t niet wil,
Niet doet, wat hij het meest vermoeden laat,
Wie and’ren roert, doch zelf steenkoud en stil,
Verleiding met een kalmen blik weerstaat, –
Terecht bezit hij ’s hemels gunst, hij ziet
Wel toe, dat hij zijn rijkdom niet verdoet,
Is heer en meester van zijn wezen, niet
Als and’ren, slechts beheerder van zijn goed.
Zoo geurt, den zomer zoet, de zomerbloem,
A1 leve en sterve zij voor zich alleen;
Doch wordt die bloeme krank, uit is haar roem,
Ze is minder waard dan onkruid, hoe gemeen.
   Ja, ’t schoonste onteert zich ’t meest door booze daân;
   Onkruid stinkt min dan lelies die vergaan.



XCV.

Hoe lieflijk en hoe zoet maakt gij de schande,
Die, even als de worm een roosjen schaadt,
Het reine waas uws jongen roems verbande!
Wat hult ge uw zonden in een schoon gewaad!
Die tong, die meldt, hoe gij uw tijd besteedt,
En luchtig, dartel spreekt van wat gij doet,
Heeft, schoon ze u gispe, steeds nog lof gereed;
Uw naam reeds maakt een laakb’ren wandel goed.
O! welk een woning mochten zij betrekken,
Die feilen, waarvan gij de schuilplaats zijt,
Waar schoonheids sluier elke smet komt dekken,
Waar alles, fraai vervormd, het oog verblijdt!
   Misbruik uw voorrecht niet, mijn lieveling;
   Misbruik verstompt en schaart de beste kling.



XCVI.

Deez’ zegt: „uw feil is jeugd”; die „overmoed”;
Die weer: „uw schoon is jeugd en dartelheid”;
Maar jong en oud: „èn feil èn schoon staan goed”;
Uw feilen zijn een schoon, dat elk verleidt.
Drage ooit een koningin een valsch juweel,
Geen, die het voor onecht verklaren zou;
Zoo wordt van u ’t oneed’le fraai en eêl,
’t Onware waar gerekend, ontrouw trouw.
Hoevele lamm’ren gingen niet verloren,
Bekleedde een wolf zich met een lammervacht!
Hoeveel bewond’raars zoudt gij boos bekoren,
Gebruiktet gij geheel uw toovermacht!
   Doch doe dit niet; ik wijd u zulk een liefde,
   Dat uw naam mijn is, elke blaam mij griefde!



XCVII.

Wat scheen ’t mij wintertijd, toen ’k ver van u
Moest toeven, o mijn lust in ’t vluchtig leven!
Wat neep de vorst, de zon verschool zich schuw,
’t Was kil- en kaalheid, wat mij had omgeven!
En toch, ’t was warm en zomer, mij slechts koud,
En zwanger was de herfst van rijke gaven,
Door ’t dartel voorjaar aan haar schoot vertrouwd;
Mij scheen ze een weeuw, haar gade pas begraven!
En ’t kroost, hoe rijk en krachtig, vol van jeugd,
Het kwam mij vaderloos, ellendig voor;
Want u verzelt de zomer en zijn vreugd,
Waar gij niet zijt, zwijgt zelfs der voog’len koor;
   Of zingen ze ook, zoo droevig klinkt hun lied,
   Dat, winterschuw, het loof van kleur verschiet.



XVIII.

Ik was van u afwezig in de lent’,
Als zoete April, getooid in bonte pracht,
Een geest van jeugd in ieder wezen prent,
Dat zelfs Saturnus met hem springt en lacht;
Maar noch der voog’len lied, noch al die bloemen,
Door geur en kleur zoo lieflijk en zoo eêl,
Deed mij de schoonheid van den zomer roemen,
’k Liet allen ongeplukt op fieren steel.
De blankheid van de lelie trof mij niet,
De warme gloed niet, die in ’t roosjen leeft;
Zij hadden slechts uw lieflijkheid bespied,
Die had haar steeds als voorbeeld voorgezweefd.
   Het bleef mij winter, schimmen waren zij;
   Maar ’t spelen met uw schimmen boeide mij.



XCIX.

’t Viooltjen gispte ik dus om dart’len moed
„Ei, diefjen! zeg, van waar dien zoeten geur,
Zoo niet van ’s liefsten mond? die purpergloed
Op uw fluweelen wangen heeft zijn kleur,
Doch veel te schril, wis van mijns liefsten bloed.”
De lelie roofde uw blankheid, zeide ik boos,
De marjolein stal voor zijn knopje’ uw haar,
En sidd’rend op haar struik stond roos bij roos,
Hier wit van angst, van schaamte blozend daar;
Eén, wit noch rood, bestal die beide en waagde
Uw aâm te voegen bij dat wit en rood;
Doch voor die daad kwam nu een worm, en knaagde
Haar tot in ’t hart; zij boette ’t met den dood.
   Meer bloemen zag ik, maar in heel ’t getal
   Niet éen, die kleur of geur van u niet stal.



C.

Waar toeft gij, Muze, dat gij reeds zoo lang
Niet zingt van dat, wat al uw macht u gaf?
Verspilt ge uw vuur in waardeloos gezang
En straalt ge uw licht op ’t lage, glanslooze af?
Bezin u, toefster! tracht weer gunst te erlangen,
Herwin den tijd, zing lieflijk weer den lof
Van wie een gunstig oor leende aan uw zangen,
Kunstvaardigheid u schonk en zingensstof!
Op, loome Muze! aanschouw dat schoon gezicht,
Of Tijd er rimpels ploegde; mocht dit zijn,
Striem dan Vergank’lijkheid met snijdend dicht,
Opdat die schennis elk veracht’lijk schijn’!
   Geef sneller roem, dan Tijd het leven sloopt,
   Dan derft zijn zeis den oogst, waarop zij hoopt.



CI.

Hoe, trage Muze, maakt ge uw zwijgen goed
Bij ’t zien, hoe trouw het schoon doordringt en verft?
Die twee beheerscht mijn vriend als vorst; zoo doet
Hij u , die al uw waarde er door verwerft.
Spreek, Muze! Zegt gij moog’lijk: „Trouwe heeft
Geen kleuring noodig, want de kleur is echt,
Schoon geen penseel, daar de echtheid luister geeft;
Bijmengsels zijn, voor al wat best is, slecht?
Denkt gij: „Ik zwijg, want hij behoeft geen lof”?
Die uitvlucht niet! door u toch moet hij leven
Als lang zijn grafgesteent’ verstoof in stof,
En moet het verst geslacht nog lof hem geven.
   Dus, Muze, aan ’t werk! volbreng, wat ik u leer,
   Opdat, als wij, hem ’t nakroost kenne en eer’!



CII.

Mijn liefde, al schijn’ zij zwakker, won in kracht;
Ze is niet verminderd, schoon zij minder toon’;
Die liefde wordt geveild, ter markt gebracht,
Die de eig’naar rondbazuint als rijk en schoon.
Alleen in onzer liefde lentetijd,
Wijdde ik mijn nieuwe min een juub’lend lied,
Zooals de nachtegaal zijn zangen wijdt
Aan ’t eerste groen; des zomers zingt hij niet;
Niet, dat de zomer minder vreugde geeft
Dan ’t voorjaar, als zijn klacht de nacht doorklinkt,
Neen, wijl dan wild elk takje’ en twijgjen leeft
En ’t schoon niet schoon meer klinkt, als alles zingt.
   Daarom zwijg ik, als hij, somwijlen stil,
   Wijl ’k met mijn zang u niet verdooven wil.



CIII.

Hoe nietig is ’t, wat u mijn Muze wijdt,
Terwijl zij op zoo rijke stof kan bogen!
Veel schooner toch zijt gij zooals gij zijt,
Dan als mijn lof uw waarde wil verhoogen.
O gisp mij niet, indien ik zwijg, maar treed
Voor uwen spiegel, zie er uw gelaat;
Dat overtreft wat mijn verbeelding smeedt,
Belaadt mij, die u schetsen wil, met smaad.
’t Is immers heiligschennis, zoo mijn lied
Opluist’ren wil, doch dooft, wat helder straalt?
Want ander doel heeft mijn gerijmel niet,
Dan dat het u en uwe waarde maalt;
   En meer, veel meer dan u mijn rijm’len biedt,
   Ontwaart gijzelf, als ge in den spiegel ziet.



CIV.

Mij, dierb’re vriend, mij wordt gij nimmer oud;
Mij schijnt in ’t minst uw schoonheid niet verdoofd
Sinds de’ eersten blik. Drie winters hebben ’t woud
Driewerven van zijn zomerpracht beroofd;
Drie schoone lentes zag ik gelend sterven,
Driemaal de bloemen van April door ’t gloeien
Der Junizon haar geur’ge frischheid derven,
Sinds ik voor ’t eerst u frisch als nu zag bloeien;
Doch, als de wijzer op de cijferplaat,
Sluipt ook de schoonheid weg van ’t middaguur;
Sta mij uw bloei ook stil, ach, hij vergaat,
Hoewel mijn oog vergeefs zijn gang begluur’;
   Dies luistert, toekomstzonen! hoort mijn woord: –
   Der schoonheid zomer stierf vóór uw geboort’.



CV.

O, acht mijn liefde geen afgoderij,
Mijn dierb’ren vriend geen afgod, wijl ik één,
Eénzelfde loflied steeds en steeds hem wij,
En altijd aan denzelfden, hem alleen.
Mijn vriend is heden goed, en morgen goed,
Bestendig liefd’rijk, zonder wisseling;
Van daar, dat dag op dag mijn dicht hem groet,
Bestendig met dezelfde huldiging.
„Schoon, goed en waar,” ziedaar geheel mijn lied;
„Schoon, goed en waar,” slechts anders uitgedrukt,
Is heel mijn kunst; een and’re ken ik niet;
Eén drieklank is ’t, wiens volheid mij verrukt.
   „Schoon, goed en waar,” ze woonden vaak alleen;
   Doch nooit voor dezen, zooals nu, bijeen.



CVI.

Als mij kronieken van den ouden tijd
De schoonheid harer helden doen aanschouwen,
Den glans, die ’t oude rijm tot lofdicht wijdt
Van fiere ridders, lieflijke edelvrouwen,
Dan is ’t mij, of, bij ’t roemen van het schoon
Van hand of voet, van voorhoofd, oog of mond,
Dier dicht’ren stift ùw schoonheid spreidt ten toon,
Dat oude rijm slechts uwen lof verkondt.
Hun dichten was een voorgevoel van u,
Een profecie van onzen tijd; van daar, –
Want neev’len waarden tusschen hen en ’t nu, –
Is hunne schets zoo kleurloos, zoo onwaar;
   Wijzelf, wij zien, bewond’ren u met de oogen,
   Maar ’t staam’len van uw lof is ijdel pogen.



CVII.

Noch eigen angst, noch ’t onheilspellend woord
Van toekomstdroomers op het wereldrond,
Heeft mijner liefde vastheid ooit verstoord,
Al was haar eind haar als nabij verkond.
De maansverduist’ring is voorbijgegaan,
En maakte de onheilsprofecie te schande;
Hecht blijft het wank’le, ’t veege blijft bestaan,
Bestendigd groent de olijftak in den lande.
Mijn liefde is door den balsem van deez’ tijd
Verjongd, ik meerd’re van den Dood geworden,
Daar ik in dicht zal leven, hem ten spijt,
Hij enkel heerscht bij stomme woeste horden;
   Mijn lied blijft als uw monument bestaan,
   Als bronzen vorstentomben zijn vergaan.



CVIII.

Kan ’t brein iets denken, inkt iets openbaren,
Dat niet mijn echte trouw van u reeds schreef?
Kan ik op een’ge nieuwe wijs verklaren,
Dat ik voor ’t roemen van uw waarde leef?
Onmoog’lijk, liev’ling! weet, mijn liefde zingt, –
Zooals ik daag’lijks bid, – u dag aan dag
Hetzelfde; en ’t oud: „gij mijn, ik de uwe” klinkt
Mij nieuw, als toen voor ’t eerst mijn liefde u zag.
Want eeuw’ge liefde, in liefdes jeugdig kleed,
Zij tart den tijd en zijn veranderingen;
Een rimp’lig voorhoofd ducht zij niet, maar weet
Zelfs de’ ouderdom tot pagedienst te dwingen;
   Zij vindt der eerste liefde gloed en kracht,
   Waar, zoo het scheen, de tijd den dood haar bracht.



CIX.

O, noem mij nooit ontrouw van hart, al scheen
Mijn gloed door ’t afzijn doffer of gebluscht!
Veel eerder vluchtte ik van mijzelven heen,
Dan van mijn ziel, die in uw boezem rust.
Dáár woont mijn liefde; zwierf ik heinde en veer,
Ik keerde toch, een reiziger gelijk,
Te rechter tijd en onveranderd weer, –
En wasch mij rein van alle smet en slijk.
O, waan niet, – heb ik ook gedoold, geschooid,
Mocht ied’re menschenzwakheid aan mij kleven, –
Dat ik zoo aav’rechts hand’len kon, van ooit
Voor niets mijn hoogste goed, u, prijs te geven;
   Want niets is heel de wereld mij; slechts gij,
   Mijn bloem, bestaat; gij, gij zijt alles mij.



CX.

’t Is waar, ’k heb veel gedwaald, mij aangesteld
Als droeg ik ’t narrenpak, en roek’loos wondde
Ik zelf mijn ziel; ’k heb ’t hoogste niets geteld,
En, nieuw verlokt, beging ik oude zonde;
’t Is al te waar, ’k heb heil’ge trouw getart
Met blik en spot; doch, bij het licht daarboven!
Mijn schande goot mij nieuwe jeugd in ’t hart,
Mijn schâ deed mij uw zielenadel loven.
’t Is al voorbij; neem gij wat eind’loos blijft;
Niets, neen, dat ooit mij weer tot dwalen spoort,
Tot toetsing van beproefde vriendschap drijft,
Gij vriend, gij god, wien heel mijn hart behoort!
   Gij, dierbaarst mij na ’s hemels heil! mij dorst
   Naar liefde en welkom aan uw eed’le borst!



CXI.

O, wraak om mij de Lotsgodin; want zij
Is schuldig aan de schuld, die ge in mij wraakt;
Zij stiet mij hulp’loos in de maatschappij,
In lagen stand, die laag de zeden maakt;
Zoo heeft ze een stempel op mijn naam gebrand;
De vreemde kleur van mijn beroep bedekt
Mijn wezen schier, als verf des ververs hand;
O voel dit meê, en wensch mij onbevlekt!
Als een, die heeling wil, schroom ik geen pijn,
De walglijkste artsenijen wil ik zwelgen,
Te bitter zal mij ’t bitterste niet zijn,
Te zwaar geen boete, als die mijn schuld kan delgen.
   Ja, schenk me uw deernis, dierb’re vriend; want weet,
   Uw deernis heelt volkomen al mijn leed.



CXII.

Uw liefde en deernis dooven mij den smaad,
Door volksgerel op ’t voorhoofd mij geprent;
Geen oordeel dat mij deert, als gij mijn kwaad
Met lieflijk groen bedekt, mijn goed erkent.
Daar gij mij heel de wereld zijt, zoo streef ik,
Dat gij mij prijst, uw blaam mij kennen doet;
Geen ander leeft voor mij, voor niemand leef ik;
Geen ander buigt het staal van mijn gemoed.
Neen, ’t is mij niets, wat ik van and’ren hoor;
Die zorg werp ik in ’s afgronds diepsten grond;
Voor vleiers en berispers sluit ik ’t oor;
Mijn wel en wee verwacht ik van uw mond; –
   Zoo zijt ge in mijn gedachten ingeweven,
   Dat niets, niets buiten u, mij schijnt te leven.



CXIII.

’k Zie met den geest, sinds wij gescheiden zijn;
En ’t oog, dat bij het gaan mijn schreden richt,
Is blind ten deele; al zie het ook in schijn,
Voor mij is ’t weg, want het verzaakt zijn plicht.
Aan ’t harte meldt het niets van eenig ding,
Van bloem of vogel, mensch of wat het ziet,
Niets aan den geest, wat schoon het ook omring’,
Ja, wat zijn blik ontwaart, behoudt het niet.
Want wat het ook geweest zij, dat het zag,
Het moge iets streelends zijn of afschuw wekken,
’t Zij kraai of duif, zee, bergen, nacht of dag,
Aan alles leent het altoos uwe trekken;
   ’k Ben onbetrouwbaar, ja; maar wie heeft schuld?
   Mijn trouw gemoed, geheel van u vervuld.



CXIV.

Of heeft wellicht mijn geest, met u gekroond,
’t Vergif der vorsten, vleierij, gedronken?
Of is ’t waarachtig, wat mijn oog mij toont,
En heeft uw min dat oog een kracht geschonken,
Die toov’rend de volmaaktste schoonheid geeft
Zelfs aan wat leelijk, ja afzichtlijk is,
Die monsters, als uw blik hen overzweeft,
Tot eng’len vormt, naar uw gelijkenis?
O, ’t eerste is waar; het is mijn oog, dat vleit,
En hieraan geeft mijn geest, als vorst, gehoor;
En ’t oog, wel met zijn smaak bekend, bereidt
Den beker voor hem, proeft den drank hem voor;
   Is die vergif, ik vind mijn schuld, voorwaar,
   Nu ’t oog hem prijst en voorproeft, minder zwaar.



CV.

’t Was leugen, toen ik vroeger dichtte, dat
Ik nimmer inniger u kon beminnen;
Mijn geest had toen, – hoe kon ’t ook? – niet gevat,
Dat steeds mijn felle vlam in gloed zou winnen.
Mocht ik dus niet bereek’nen, hoe de Tijd
Geloften breekt, het hart van vorsten kneedt,
Met plannen lacht, het schoonste schoon ontwijdt,
Den sterksten geest verzwakt, te buigen weet;
Mocht ik niet, denkend aan zijn ijz’ren hand,
Verklaren: „Nu bemin ik u het meest”,
Niet zeggen: „Ach! niets houdt op aarde stand;
’k Bekroon het heden, morgen is ’t geweest”?
   Liefde is een kind; wat wonder dat ik zon,
   Dat, wat zoo groot was, niet meer groeien kon?



CXVI.

Bij de’ echt van trouwe zielen spreek’ men niet
Van hindernissen. Die liefde is geen liefde,
Die mindert, als zij de’ een’ vermind’ren ziet,
Die scheiding zoekt, als de een door scheiding griefde;
Neen, liefde is als een baak, die, diep in de aarde
Gevest, met stormgeklots en golven lacht,
De sterre voor elk zwervend schip, wier waarde
De meting te vergeefs te schatten tracht.
Liefde is geen nar des Tijds; ja, kort van duur
Zij jeugd en schoon, ’t vall’ voor zijn sikkelslag,
Doch liefde wisselt niet met dag en uur,
Zij groeit en bloeit tot aan den jongsten dag.
   Verflauw ik ooit, blijkt wat ik zeide een waan,
   Dan dichtte ik nooit, heeft liefde nooit bestaan.



CXVII.

Ja, klaag mij aan, dat ver bij uwen schat
Van gunsten mijn erkent’nis achterstond,
Dat ik den dank en ’t dienstbetoon vergat,
Waartoe mijn plicht mij daag’lijks meer verbond;
Dat ik bij mind’re geesten was te vinden,
Der wereld, wat uw heilig recht was, bood,
Mijn zeilen heesch en stelde naar de winden,
Opdat ik ver, recht ver, uw oog ontvlood;
Boek al mijn drieste schuld; verdenk mij vrij
Van meer dan gij bewijzen kunt, en richt
Op mij uw toornig blikkend oog; het zij;
Doch dat geen haat mij treffe met zijn schicht;
   Want hoor wat ik betuig: „’k Heb slechts getracht
   Te toetsen uwer liefde trouw en kracht.”



CXVIII.

Zooals wij, om onze’ eetlust aan te prikk’len,
’t Gehemelt’ tergen met veel scherpe zaken,
Of, wijl zich stil een ziekte kan ontwikk’len,
Purgeeren, ziekte ontvliedend ziek ons maken;
Zoo mengde ik, van uw nimmer walgend zoet
Verzadigd, bitt’re saucen bij mijn spijs,
En achtte, van gezondheid krank, dit goed,
Ja zelfs, mij nood’loos ziek te maken wijs.
Der liefde slimheid, die denkbeeldig kwaad
Voorkomen wilde, liet zich dwaas verblinden;
En de gezonde, krank van overdaad,
Dacht kwaad een artsenij om baat te vinden;
   Doch deze leer werd mij in ’t hart gegrift:
   Wien gij zoo krank maakt, is de laafdrank gift.



CXIX.

Hoeveel Sirenentranen dronk ik reeds,
Gestookt in kolven, hellezwart van binnen,
Bij ’t hopen bang, bij angsten hopend steeds,
En steeds verliezend, als ik dacht te winnen!
Geen dolle, vloekb’re dwaling, die mijn hart,
Terwijl ’t zich zalig waande, niet beging!
Wat rolden de oogen mij in ’t hoofd; verward
Was ziel en brein, alsof me een koorts beving!
Maar o! – wat zegen ook van ’t booze stamt –
Zie nu, dat kwaad het beet’re beter maakt,
En liefde, schier gebluscht, maar nieuw ontvlamd,
Veel schooner, feller dan te voren blaakt.
   Toen ik, gestraft, weer tot mijn liefde kwam,
   Vergoedde ’t kwaad mij drievoud wat het nam.



CXX.

Thans doet mij goed, dat ge eenmaal liefd’loos waart;
En zonder ’t leed, dat gij mij lijden deedt,
Bezweek ik thans, door mijne schuld bezwaard,
Waar’ niet mijn hart uit brons of staal gesmeed.
Want greep mijn liefd’loosheid ook u zoo aan,
Als de uwe mij, dan leedt gij hellepijn;
Ach, ik tyran! ik heb niet nagegaan,
Hoe deerniswaard uw wreedheid mij deed zijn!
O, had mijn hart in onze jammernacht
Slechts goed bedacht, hoe diepe wonden smarten,
Door mij ware u, door u waar’ mij gebracht
De rechte balsem voor gegriefde harten!
   Maar uw vergrijp is thans een losprijs; mij
   Koopt uwe schuld, u mijne wreedheid vrij.



CXXI.

’t Is beter, boos te zijn dan boos te heeten,
Als ’t niet boos zijn de blaam niet kan ontgaan
Van hen, die ons genot, naar ons geweten
Onschuldig, zondig achten in hun waan.
Wat? moeten boozen lachend spot mij toonen,
Verdorv’nen, starend op mijn dartel bloed?
Of zwakk’re geesten mijne zwakheid hoonen?
Wat hun zoo boos schijnt, reken ik voor goed.
Neen, ’k ben die ’k ben; zoo zij mij schuldig vinden,
Is ’t hun schuld, die hen drukt met zwaar gewicht;
Wellicht ben ik de ziende, zij de blinden;
Mijn doen zij niet beschouwd in hun valsch licht;
   Tenzij men deze leer tot richtsnoer koos: –
   Het menschdom zelf en al zijn doen is boos.



CXXII.

’k Draag uw geschenk, uw album, volgeschreven,
In ’t brein, en ’k houd dit in gedachtenis,
Die duurt, die ijd’len pronk zal overleven,
Den tand des tijds trotseert, ja eeuwig is;
Ten minste, zoolang beide, brein en hart,
In mij met volle levenskracht bestaan,
Elk voor zijn deel in u verderf’nis tart,
Zal nimmer uwe heugenis vergaan.
Dat nietig boek kon zooveel niet omvatten,
En ’k wil geen kerfstok voor uw liefde; stout
Gaf ik uw gift dus weg, en heb mijn schatten,
Aan wat u waardig huisvest, toevertrouwd.
   Behoefde ik hulp, opdat ik aan u dacht,
   Ik wierd om mijn vergetelheid veracht.



CXXIII.

Nooit stoft ge op mijn verand’ring, Tijd! Die bouw
Van pyramiden, nieuw door u gesticht,
Is mij niets nieuws, dat ik verbaasd aanschouw;
’t Is alles ’t oude, nieuw slechts opgericht.
Wij zijn van gist’ren eerst, en daarom gapen
Wij ’t oude, dat ge als nieuw ons opdringt, aan;
Wij denken ’t liever als voor ons geschapen,
Dan als bekend, dat lang reeds heeft bestaan.
Ik trots u, wat gij ook verricht of meldt;
Wat is, wat was, het kan mij niet verblinden;
Bouw op of sloop, terwijl gij voorwaarts snelt;
Uw taal, uw doen, ’k blijf alles leugen vinden.
   Doe wat gij wilt, zwaai vrij uw zicht, maar weet:
   Ik zwoer steeds trouw te zijn, – en staaf mijn eed.



CXXIV.

Schonk aan mijn liefde zucht naar staat het leven,
Dan trof haar, basterd van Fortuin, de doem,
Dat ze aan Tijds liefde en haat wierd prijsgegeven,
Vertrapt als onkruid of geplukt als bloem.
Neen, Toeval heeft op haar geen macht, zij staat
Als rots; ’t zij grootheid vleiend tot haar lach’,
Hetzij der knechtschap lage ziel haar haat’,
Zij huldigt niet de mode van den dag;
Zij ducht de ketterij der zelfzucht niet,
Die, wankel, zich verhuurt voor korte dagen; –
Zij is zichzelf, is wijs, staat vast, en ziet
Minachtend neer op hitte en regenvlagen.
   Tijdnarren, legt dit tuig’nis van mij af,
   Gij boozen, braaf eerst aan den rand van ’t graf!



CXXV.

Waar’ ’t goed, zoo ’k over u een hemel droeg,
Opdat een ieder zie, hoe ik u diene,
Een eerzuil voor u stichtte, die toch vroeg
De tand des Tijds vervormde tot ruïne?
Hoe menigeen, gehecht aan vorm en praal,
Verloor zijn have door vertoon en pracht,
Versmaadde om zoeten kost een voedzaam maal,
En had het dra tot bedelaar gebracht!
Neen, laat mij in uw hart voor u slechts leven,
Aanvaard mijn offer, nietig, ja! maar vrij,
Gul, onvervalscht, en kunst’loos u gegeven,
En dat uw liefde ’t loon der mijne zij!
   Weg, last’raar, weg! hoe meer gij stookt, te meer
   Stijgt mijn oprechte trouw in waarde en eer.



CXXVI.

O gij, mijn lieve jong’ling, gij, wiens hand
Nu ’t uurglas en de zicht des Tijds omspant,
Die, bij ’t verouden groeiend, door uw schoon
’t Verval van wie u minnen spreidt ten toon;
Zoo steeds Natuur, die leven, sterven doet,
U bij het voortgaan tegenhoudt en hoedt,
Is dit haar doel, dat zij den Tijd belach’,
Zijn macht betwiste en toon’ wat zij vermag.
Toch, ducht haar! gij zijt speelbal der Natuur;
Zij houdt u vast, maar kan ’t niet op den duur.
   Poog’ ze ook den aandrang van den Tijd te stuiten,
   Eens moet ze u off’ren en haar reek’ning sluiten.



CXXVII.

In de’ ouden tijd werd zwart niet schoon geacht,
En, waar’ ’t ook schoon, het werd niet schoon geheeten;
Thans wordt die hulde aan zwart alleen gebracht,
En blond voor valsch, bedrieglijk uitgekreten;
Want sedert met natuur de kunst zich meet,
Wat leelijk is, vernissen, verven gaat,
Onthoudt men ’t echte schoon zijn naam, vergeet
Zijn dienst, en ’t leeft ontheiligd, ja versmaad.
Dies is mijn liefstes wenkbrauw ravenzwart,
En zwart haar oog, alsof het rouwe draagt,
Omdat wie schoonheid mist, toch schoonheid tart,
En, valsch getooid, natuur te schennen waagt.
   Doch zóó staat haar die rouw en droefenis,
   Dat ieder roept: „Zietdaar wat schoonheid is!”



CXXVIII.

Hoe vaak, wanneer uw slanke ving’ren zweven,
Op zaal’ge toetsen met dien zachten druk,
En gij die tonenmeng’ling roept in ’t leven,
Die ’t oor mij boeit, de ziel brengt onder ’t juk,
Benijd ik ’t dood ivoor, dat onder ’t wippen
Uw teed’re ving’ren kussen mag, en stout
Een heil zich rooft, dat door mijn arme lippen,
Wier oogst dit ware, blozend wordt aanschouwd!
Hoe gaarne ruilden die haar lot en stand
Met zulk een plaatjen, dat daar dansend bukt,
Den luchten gang ervaart van uwe hand,
En dat ge, in steê dier lippen, zaal’gend drukt!
   Begunstigt drieste toetsen ’t lot aldus,
   Reik haar uw hand, uw lippen mij ten kus!



CXXIX.

Bij ’t plegen is de wellust smaadlijk spillen
Des geestes; ongepleegd, maar nagestreefd,
Reeds één met list en meineed, booze grillen,
Met wreedheid, woestheid die geen grenzen heeft;
Te nauwernood genoten, reeds veracht;
Zinn’loos bejaagd en zinneloos gehaat
Bij ’t grijpen, als een lokaas op de jacht,
Dat, door zijn gif, wie ’t proeft met dolheid slaat;
Dol bij ’t begeeren, bij ’t verkrijgen dol;
Bij de aankomst, ’t rennen, de’ afrit, zonder toom;
Bij ’t proeven vreugd, na ’t proeven lijdensvol;
Een zaligheid vooraf, daarna een droom;
   Dit weet een ieder; niemand evenwel
   Mijdt goed den hemel, voerend tot deez’ hel.



CXXX.

Uw oogblik is in ’t minst geen zonnestraal;
Bij rood koraal verwerft uw mond geen lof;
Geldt sneeuw als wit, dan is uw boezem vaal;
Bij zijdeglans zijn uwe lokken dof;
’k Zag vrij wat schooner witte en roode rozen,
Dan ’t blosjen, dat ik op uw wangen speur;
Verslond mijn kus uw adem, bij het koozen
Van ’t zuiderkoeltjen rook ik zoeter geur;
Gij boeit, wanneer gij spreekt, mij ziel en zin,
Maar toch, mij klinkt muziek nog ruim zoo zoet;
’k Zag nooit, –’tis waar, – den tred van een godin,
Maar op den grond treedt bij het gaan uw voet;
   Toch zweer ik, dat ik u veel schooner reken
   Dan wie ook, die zoo dwaas werd vergeleken.



CXXXI.

Heerschzuchtig zijt ge, wreed, in wat gij doet,
En ruim gebruikt ge, als schoonheid pleegt, uw macht;
Gij weet nu eens: voor mijn verliefd gemoed
Gelijkt u geen juweel in waarde en pracht.
Toch, menig zegt, die uw gelaat aanschouwt,
Dat dit geen zuchten wekt, geen liefde ontsteekt,
Maar achte ik tegenspraak dan ook te stout,
Stil zweer ik, dat ge wèl zoo machtig bleekt.
En zeker, ’t blijkt, dit is niet valsch gezworen,
Want duizend zuchten, wellend uit mijn hart,
Doen, denk ik slechts aan uw gelaat, het hooren,
Dat niets voor mij zoo schoon is als uw zwart.
   Doch niets van u is zwart zooals uw daden;
   En dit doet last’raars uwe macht zoo smaden.



CXXXII.

Ik heb uw oogen lief, die mij beklagen,
Dat uw verachting mij de ziel doorsneed,
Die, diep in ’t zwart, als vrienden, rouwe dragen,
Met lief erbarmen staren op mijn leed.
Voorwaar, aan ’s hemels grauwende oosterpoort
Schiet schooner nooit de morgenzon haar stralen;
De ster, die aan den westerhemel gloort
En de’ avond meldt, kan bij den glans niet halen
Van ’t rouwende oogenpaar van uw gelaat.
O, wek nu ’t hart ook op tot mededoogen;
Dit rouwe mee, daar rouw zoo goed u staat;
Eén meêgevoel beziele uw hart en oogen!
   Dan zweer ik steeds: de schoonheid zelve is zwart,
   En wat uw kleur niet draagt, is boos van hart.



CXXXIII.

Verwenscht dat hart, dat mijn hart schreien deed
Om zulk een wond, mijn vriend en mij geslagen!
Was ’t niet genoeg, dat ik alleen zoo leed,
Moet ook mijn vriend uw slavenkeet’nen dragen?
Uw oog heeft wreed mij aan mijzelf ontscheurd,
Thans erger nog mijn ander ik benard;
’k Verloor mijzelf en hem, heb u verbeurd,
Drievoudig driemaal snerpt zoo felle smart!
Uws boezems staal omsluit’ mijn harte vrij,
Doch ’t mijn’ zij gijz’laar voor het zijn’ gemaakt.
Geef dan ’t bewaken van zijn hart aan mij;
Uit is uw macht op ’t hart, door mij bewaakt;
   Ach! ’t baatte niet; ge omkerkert mij geheel;
   Met mij is al wat in mij is uw deel.



CXXXIV.

Ja, hij is de uwe; ik heb ’t erkend, en, meer,
Ik stelde als onderpand mij in uw hand.
Geef nu mijn troost, mijn ander ik, mij weer,
En neem dan, als verbeurd, voor u het pand;
Maar gij zegt neen, en hij wenscht zich niet vrij;
Gij zijt veeleischend, hij is gulgezind;
Uit vriendschap slechts verbond hij zich voor mij,
Maar, ach! zoo vast, dat niets hem meer ontbindt.
Het was uw schoonheid, die haar schatting nam;
Hebzuchtige, die winst van alles heft!
Gij neemt een vriend, die mij bevrijden kwam;
’t Is eigen schuld, dat dit verlies mij treft.
   ’k Heb hem verloren; gij hebt hem en mij;
   Hij kwijt mijn schuld en toch ben ik niet vrij.



CXXXV.

Wie ook haar wensch bezitt’, gij hebt uw wil,
Hebt Will daarbij en Will in overdaad;
Meer dan genoeg ben ik; al zwijgt gij stil,
Mij treft, voeg ik mijn wil bij de’ uwen, smaad.
Uw wil is groot en ruim; duldt gij dan nimmer,
Dat zich mijn arme wil in de’ uwen hult?
Vindt and’rer wil verhooring, vaak, ja immer, –
En mag ik nimmer mijn wil zien vervuld?
De zee, wat waterrijkdom zij bevatt’,
Zij, niets dan water, drinkt den regen toch;
Voeg zoo ook gij éen Will nu bij uw schat,
Hoe rijk uw wil zij, hij wordt rijker nog.
   Dood geen vereerder door een booze gril;
   Denk allen éen, mij in dien éenen Will.



CXXXVI.

Is om mijn aandrang uwe ziel verstoord,
Zweer aan uw blinde ziel: ik ben uw Will;
Zij geeft wel toe, dat wil daar thuis behoort;
Verdrijf, mijn lieve, aldus haar booze gril.
Vergroote Will dus meê uw liefdeschat;
Voeg wil bij wil, en zij mijn wil er één;
Gij zijt zoo rijk in wil; wie weet niet, dat
Bij groote sommen één meest telt voor geen;
Voeg bij uw waarden ongeteld ook mij,
Maar schrijf mij toch voor één op uwe lijst;
Dan heb ik hoop, schoon ik thans niets u zij,
Dat dra dit niets bij u in waarde rijst;
   Bemin mijn naam vooreerst, dan wacht ik stil;
   Dra mint gij mij ook, want mijn naam is Will.



CXXXVII.

Blind minnewicht, wat doet gij aan mijn oogen,
Dat zij wel zien, ja, doch niets goed en recht,
Wat schoon is, weten, ’t ook te zien vermogen,
En toch het beste leelijk keuren, slecht?
Zoo oogen zich door blikken laten doeken
Tot ank’ren in de baai, waar elk het doet,
Wat smeedt gij van die valsche blikken hoeken,
Die kluist’ren, ’t oordeel vangend van ’t gemoed?
Hoe kan mijn hart zich dàt zijn plekjen denken,
Waar ’t zelf wel weet, dat ieder wand’len gaat?
Hoe ’t oog aan wat het ziet geen waarde schenken,
Maar echte trouw zien op zoo boos gelaat?
   Mijn oog en hart heeft blanke trouw miskend,
   En tot de zwartste valschheid zich gewend.



CXXXVIII.

Zweert mij mijn lief: ze is, o! zoo waar en trouw,
Ik neem het aan, – al weet ik, dat zij liegt, –
Opdat ze mij voor jong, onschuldig hoû,
Onwetend, hoe de wereld vaak bedriegt.
Dat zij dit wanen zou, is valsche waan,
Zij weet te goed, hoe reeds mijn jaren stegen;
En toch neem ik haar valsche woorden aan;
Zoo wordt de waarheid beiderzijds verzwegen.
Doch waarom veinst zij trouw en liefdegloed?
En wat schroom ik, mijn leeftijd te openbaren?
Ach, glans van trouw kleedt ied’re min wel goed,
En min, bejaard, verheelt wel graag haar jaren.
   Daarom belieg ik haar, en zij weer mij,
   Bedrog is ’t, ja, maar zoet, en van weêrszij.



CXXXIX.

Eisch niet, dat ik uw billijkheid verkond’
En zegg’: „Mijn hart verloor terecht uw gunst”;
Wond mij niet met uw blik, maar met uw mond;
Gebruik uw macht, maar dood mij niet door kunst.
Zeg, dat ge een ander mint, maar wend uw oogen
Niet in mijn bijzijn zijwaarts heen; versmaad
Door list mij te verwonden; zoude ik pogen
Te strijden, waar geen enkele afweer baat?
Ik wil u dùs verschoonen: „Ach! zij weet,
Dat steeds haar lieve blik mijn vijand was,
En heeft daarom dien vijand overreed,
Dat hij nu and’ren met zijn pijl verrass’.”
   Doch doe zoo niet; schier hebt ge mij gedood;
   Maak met uw blik een eind nu aan mijn nood!



CXL.

Wees in uw wreedheid wijs; drijf mijn geduld
Niet tot het uiterst door uw hoon; het zweeg;
Maar doet eens leed het spreken, dan onthult
Het voor een elk, hoe hoog uw folt’ring steeg.
Geloof mij, beter is ’t, dat ik u danke
Voor liefde die ge zweert, al meent gij ’t niet,
Zooals een arts den hooploos veegen kranke
Nog immer uitzicht op genezing biedt;
Want greep mij wanhoop aan, dan wierd ik dol,
En konde in dolheid kwaad van u gaan spreken;
Nu is de wereld zoo van snoodheid vol,
Dat hem, die kwaadspreekt, luist’raars nooit ontbreken.
   Spaar mij die dolheid, en uzelf die straf:
   Blik recht naar mij, al dwale uw hart ook af.



CXLI.

Ik min u, waarlijk, met mijn oogen niet,
Die wel een duizend feilen in u laken;
Mijn hart bemint, wat mij ’t gezicht verbiedt,
Ja, ’t is verzot op wat mijn oogen wraken;
En ook uw stem kan mijn gehoor niet streelen;
Geen teer gevoel, schoon niet voor prikk’ling schuw,
Zoo min als smaak of reuk verlangt te deelen
In eenig zinn’lijk feest alleen met u;
Doch geev’ verstand en ’t vijftal zinnen raad,
’t Beweegt geen dwaas, dat hij uw keet’nen schuwe;
Mijn hart verzaakt zijn mannenkracht, en laat
Zich als een slaaf beheerschen door het uwe;
   Slechts dit is in mijn bitter leed mij zoet,
   Dat ik door haar, die mij verleidt, ook boet.



CXLII.

Liefde is mijn zonde en heel uw deugd is haat,
Haat van mijn zonde, van mijn booze liefde;
Maar zet naast mijn doen eens uw woord en daad,
En zeg, of billijk mij bestraffing griefde!
Zoo ja, toch niet bestraffing uit uw mond,
Die ’t schaamrood uwer lippen valsch deed spreken,
Niet min dan ik door meineed eeden schond,
En meen’gen heil’gen echtband heeft doen breken.
Erken mijn min als recht; of wel, verfoei
Uzelf, die and’ren wenkt en lokkend vleit;
Plant deernis in uw hart, opdat die groei’
En gij door deernis deernis u bereidt.
   Geworde u, zoekt gij wat gij mij ontzegt,
   Door weig’ring, naar uw eigen voorbeeld, – recht!



CXLIII.

Zie! evenals een noeste huisvrouw ’t hoen,
Dat haar ontvloog’, weer op te vangen tracht,
Haar zuigling neerzet, wegloopt uit haar doen,
En ijlt, de vluchtling na, uit al haar macht,
Terwijl het wicht, dat zich verlaten ziet,
Luid schreiend om haar roept; vergeefs, zij jaagt
Steeds buiten adem na, wat haar ontvliedt,
En ziet niet om naar ’t kind, dat luide klaagt;
Zoo snelt gij na, wat vliedt, en ijlt maar toe,
Schoon ik, uw zuigling, roep’ met droef gemoed;
Doch, greept ge uw wensch, keer tot mij weer, en doe
Zooals een moeder: kus mij, wees mij goed;
   Ja, keer slechts; dat uw komst mijn klachten still’!
   Dan bid ikzelf, dat u geworde uw Will.



CXLIV.

Twee liefden schenken mij genot en smart;
Twee geesten heerschen in mijn geest met macht:
De goede, een man, dagschoon, met edel hart,
De booze geest, een vrouw, zwart als de nacht.
Om mij des te eerder voor de hel te werven,
Lokt zij mijn goeden engel van mijn zij;
Zij wenscht hem duivel, tracht hem te verderven,
Bestormt zijn onschuld sluw met vleierij.
Werd reeds mijn engel tot een duivel? ’k Mag
’t Vermoeden, maar ik weet het niet; zij toonen
Elkander liefde, mij ontwijkend; ach!
Ik vrees, dat ze in haar hel hem wist te troonen;
   Maar ’k blijf in twijfel en ervaar dit niet,
   Eer de engel om den gloed haar hel ontvliedt.



CXLV.

Haar mond, gewrocht van Amor’s hand,
Sprak ’t harde woord tot mij: „Ik haat”,
Tot mij, die voor haar smacht en brand;
Maar nauw ziet zij mijn bleek gelaat,
Of medelij besluipt haar hart;
Zij leert haar tong, die immer goed
Voor ieder is, dat die mijn smart
Weer lenige met beet’ren groet;
Ze voegde een woord bij dat: „Ik haat”,
Dat al mijn gruw’lijk leed verzacht,
Zooals de blonde dageraad
Ter helle drijft de zwarte nacht:
   „Ik haat”; maar ’t haten vlood dra schuw,
   En ’k leefde weer; ze zeî: „niet u”.



CXLVI.

Kern van mijn zondig stof, gij, arme ziel,
Wat gunt ge aan ’t grillig hulsel zooveel macht,
Wat kwijnt ge in banden weg, leeft zelve schriel,
En tooit uw kerkerwand met zooveel pracht?
Wat siert gij ’t huis, dat u zoo kort omsluit,
Zoo heerlijk op, opdat het kostlijk schijn’?
Verlaat gij ’t, valt het wormen niet ten buit
Met al uw praal? Mag dit het einddoel zijn?
Neen, ziele, sloov’ zich ’t lichaam moe en mat
Voor u, niet gij voor ’t stof, dan moet gij winnen;
Ruil voor vergank’lijk stof een eeuw’gen schat;
Wees buiten arm, maar zorg voor rijkdom binnen.
   Leef van den Dood, zooals van ’t menschdom hij,
   Want, sterft de Dood, verderf’nis is voorbij.



CXLVII.

Mijn liefde is als een koorts, die steeds begeert
Naar wat de ziekte langer duren doet,
En liefst zich voedt met wat de kwaal vermeert,
Vindt slechts de wisselzieke smaak het goed.
Boos heeft mij mijn verstand, die arts der min,
Daar ik zijn raad en waarschuwing versmaadde,
Verlaten; ’k zie mijn dwaasheid nu wel in
En voel berouw, maar hoop’loos nu, te spade.
’k Ben hoop’loos, hulp’loos, nu ’t verstand me ontweek,
Nu waanzin mij door alle leden rijdt;
Dolzinnig is al wat ik denk en spreek,
Met alle waarheid is ’t in blinden strijd.
   Want gij, die ’k schoon in eng’lenlichtkleed dacht,
   Zijt donker als de hel, zwart als de nacht.



CXLVIII.



Wat oogen, ach, heeft mij de Min gegeven?
Het beeld, dat zij mij toonen, is niet waar,
Of, zien zij goed, waar is ’t verstand gebleven,
Daar ’t valsch besluit, al zien ook de oogen klaar?
Is dat, waaraan mijn oogen hulde wijden,
Wèl schoon, wat laakt men hun getuig’nis dan?
En is ’t niet schoon, dan moog’ de Min belijden,
Dat haar oog over schoon niet rechten kan.
Hoe kan ’t ook? Wat? het oog der Min scherpziend?
En ’t is van ’t waken zwak, en dof van ’t weenen!
Wat wonder, dat het geen geloof verdient?
De zonne zelfs ziet niet door wolken henen.
   O sluwe Min! gij maakt mij blind door tranen,
   Opdat mijn oogen vlekkeloos u wanen.



CXLIX.

Hoe, ’k min u niet, verwijt ge mij zoo wreed!
En tegen mij, mijzelf, neem ’k uw partij!
Vergeet ik u, ik, die mijzelf vergeet,
Aartsdwinglandes, die alles aan u wij’?
Wien, die u haat, begroet ik als een vriend?
Wien zijt gij gram, dien ik ooit vleien zou?
En treft uw gramschap mij, hoe onverdiend,
Boet ik het niet met deemoed en berouw?
Wat is in mij te trotsch, om u als knecht
Ten dienst te staan, of heeft zich ooit verzet?
En wat te goed, dat niet, wat in u slecht
Moog’ zijn, ’t vereert, niet op uw wenken let?
   Maar, lieve, ’t zij zoo; haat mij! want gij mint
   Slechts zienden, naar ik merk, – en ik ben blind.



CL.

O! welke macht schonk u dat alvermogen,
Dat uw onwaardigheid mijn hart regeert?
Dat ik beweer, mijn oog heeft mij bedrogen,
En zweer, in duister is de dag verkeerd?
Wat schonk uw slechtheid die bekoring, wat
Uw zonden zulk een meesterschap en kracht,
Dat ik uw ergste boosheid hooger schat,
Dan ik in and’ren eng’lendeugden acht?
Wie leerde u, meer mijn min te doen ontgloeien,
Hoe meer mijn rede dwingt, dat ik u haat?
Maar min ik ook wat and’ren diep verfoeien,
Vervolg mij niet, als and’ren, met uw smaad!
   Is ’t uw onwaardigheid, die zoo mij bindt,
   Te meerder ben ik waard, dat gij mij mint.



CLI.

Liefde is te jong en weet van geen geweten,
Schoon elk ’t geweten spruit der liefde weet’;
Dus, deugniet, mij mijn schuld niet uitgemeten;
Zelf bleekt gij schuldig aan wat ik misdeed:
Zooals gij mij verleidt, verleid ik weer
Mijn beter deel tot grove zinnenschuld;
Mijn ziele zet het lichaam meer en meer
In liefdegloed; en ’t vleesch, vol ongeduld,
Verheft zich, als uw naam het roept ten strijde,
Nu gij als ’t heerlijkst loon der worst’ling blinkt;
Het wordt uw arme slaaf, die aan uw zijde
Zich voegt en ’t hoofd verheft en nederzinkt;
   ’k Noem, – is ’t gewetenloos? – haar boven allen
   Mijn lief, wier dienst mij pal doet staan en vallen.



CLII.

Ja, eedbreuk pleegde ik door mijn min voor u,
Doch gij tweemaal: uit trouw aan mij verbraakt
Ge uw huw’lijkseed, en hatend hebt gij nu
Om nieuwer min die nieuwe trouw verzaakt.
Wat! tel ik dit? dat breken van twee eeden?
Ik brak er twintig; wat ik heb gezworen,
Moest u bedriegen, want, – het zij beleden, –
In u ging al mijn waarheidszin verloren.
Ik zwoer, uw hart was zacht en welgezind;
Ik zwoer, ’t was trouw en liefd’rijk tot aan ’t graf; –
Ik werd, om luister u te schenken, blind,
Of zwoer al wat mijn oogen zagen af;
   Want gij waart schoon, zoo zwoer ik; godd’looze eed,
   Zoo snood te liegen, als men ’t beter weet!



CLIII.



Eens sliep bij zijne toorts Cupido in;
Dit nam een nimfjen van Diana waar,
En stak de fakkel van den god der min
In ’t koele water van een bron aldaar;
Dit leende van der fakkel heil’gen gloed
Een warmte, lieflijk, niet in duur beperkt;
De bron wordt nu een bad, dat wond’ren doet,
Dat kranke liên geneest en zwakke sterkt.
Aan de oogen van mijn liefde ontsteekt zijn toorts
Op nieuw de knaap, en hij ontvlamt mijn hart;
Ik ijl naar ’t bad, verteerd van minnekoorts,
Doch zoek vergeefs er heul in mijne smart;
   Slechts één bron heeft voor mij geneesvermogen
   Die, waar Cupido ’t vuur van nam,... hàar oogen.



CLIV.

In slaap lag eens de kleine liefdegod,
Zijn toorts, die hartontvlamster, aan zijn zij;
Een nimfenstoet, die kuisch zich ’t heilgenot
Der min ontzegd had, zweefde naderbij;
De schoonste nimf nam stout de toorts ter hand,
Die zooveel harten had ontgloeid, en slapend
Werd zoo de god, ontsteker van den brand
Der liefde, door een maagdenhand ontwapend.
Zij bluscht de vlam daar in een bron, die snel
Ontgloeit en om haar heelkracht blijft vereerd;
Ik ook, ik zocht er voor mijn kwaal herstel;
Vergeefs, ik heb er enkel dit geleerd:
   De gloed der liefde ontgloeit een koelen vliet,
   Maar water koelt den gloed der liefde niet.


EEN MINNEKLACHT.

’t Lag op een heuvel en zijn holle schoot
Herhaalde van het zusterdal een klacht,
Wier dubb’le galm mij ’t luisteren gebood,
Mijn geest een droef verhaal van jammer bracht;
’k Ontwaarde een meisjen, dood’lijk bleek, gaf acht,
   Zag brieven scheuren, ringen breken, vlagen
   Van schokkend wee haar wereld fel belagen.

Een vlakken strooien hoed droeg ze op het hoofd,
Die haar gelaat beschutte voor de zon,
Waarin wie toeziet, nog te zien gelooft
’t Puin van een schoon, dat bitter leed verwon;
Iets had de Tijd, van wat de jeugd begon,
   Niet gansch gemaaid, maar trots zijn felle zicht
   Straalt soms door ’t rimp’lig venster schoonheids licht.

Vaak drukt zij zich den zakdoek voor het oog,
Een doek, met teekens, rijk aan kunst, doorweven,
En wascht de zijde met een zilten loog,
Door smart tot held’re druppels saamgedreven,
En leest, wat zin die liefdeteekens geven;
   En slaakt dan vaak een onverstaanb’ren kreet,
   Hoog, laag, maar immer tolk van ’t grievendst leed.

Nu richt zij ’t vuur der blikken naar den hoogen,
Als kozen zij de spheren zich ten buit;
Dan, afgewend, richt zij haar vochtige oogen
Op ’t ver verschiet; dan staart zij strak vooruit;
Dan zwerven met een vaart, door niets gestuit,
   Haar blikken heen en weer, op niets gericht;
   ’t Is waanzin van de ziel en van ’t gezicht.

Heur haar, niet los, noch zorgvol saamgebonden,
Verraadt een hand, die allen pronk versmaadt;
En deel heeft aan den stroohoed zich ontwonden
En hangt haar langs het moede, bleek gelaat;
En deel bleef nog in vlechten en weerstaat
   Den dwang om aan de banden zich te ontwringen,
   Die achtloos, los, het golvend haar omringen.

Veel parels neemt zij, gitten en kristallen,
Al liefdepanden, in een mand bevat,
En laat die een voor een in ’t water vallen
Der beek, waar ze aan den weenende’ oever zat,
Op woek’raarswijs nat voegend bij het nat,
   Of als een vorstenhand, die rijk’lijk geeft,
   Niet waar nood roept, maar aan wie rijk’lijk heeft.

Nu neemt zij brief op briefjen, dat ze ontvouwt,
Doorleest, verscheurt, en naoogt op den vloed. –
Breekt ring op ring, met spreuk, eenmaal vertrouwd,
Maar die ze in ’t slib een graf nu zoeken doet;
Dan volgen brieven, ach! gepend met bloed,
   Door teed’re zorg met fijne zijde omtogen,
   Door ’t zegel veilig voor nieuwsgierige oogen.

Zij baadt met stroomende oogen vaak dit schrift,
En kust het, voor zij ’t stuk rijt, keer op keer,
Roept: ’O valsch bloed, dient gij een logenstift?
Wat stelt ge in ’t plegen van verraad uw eer?
Inkt paste, als zwart en helsch van kleur, hier meer!”
   Zoo spreekt ze, en langer draalt, haar woede niet;
   ’t Verscheurde hart verscheurt, wat haar verried.

Een waardig man, die daar zijn kudde weidde, –
Een woelgeest eens, die in de warr’ling leefde
Van hof en stad, maar lang reeds hieruit scheidde,
En nadacht, hoe zijn jeugd hem ras ontzweefde, –
Trad op deze arme liefde toe, en streefde,
   Naar ’t voorrecht van zijn leeftijd, door zijn vragen
   In ’t kort den grond te weten van haar klagen.

Zoo daalt hij zachtkens op geknoesten staf,
En zet zich bij haar, niet opdringend dicht,
Vraagt haar op nieuw mewarig de oorzaak af
Van zulk een leed; misschien, zoo zij ’t bericht.
Dat hij door raad of daad liet haar verlicht;
   Zij deele ’t mee; bij heeft, schoon hoogbejaard,
   Een warm gevoel steeds in zijn borst bewaard.

„Hoewel gij, vader”, – zegt ze, – „in mij aanschouwt
De macht van vele mart’lingvolle stonden,
Toch achte uw wijsheid hierom mij niet oud;
Niet tijd, maar kommer sloeg mijn schoonheid wonden;
’k Wierd door uw oog een jonge bloem bevonden,
   Nog frisch van glans, had ik mijn liefde aan mij,
   Mijzelf gewijd, van and’re liefde vrij.

„Doch wee mij! al te vroeg leende ik het oor
Aan ’t smeeken, – ’t was om naar mijn gunst te dingen, –
Van een, dien zoo natuur tot gunst’ling koor,
Dat slechts aan hem der meisjes oogen hingen;
De liefde zocht een thuis bij jongelingen,
   Koos hem, en toen zij in zijn schoonheid woonde,
   Toen eerst werd zij godin, die godd’lijk troonde.

„Zijn haar omkrulde ’t hoofd met bruine lokken;
Die kusten, mocht het minste tochtje ontstaan,
Zijn roode lippen met hun zijden vlokken, –
Wat zoet te doen is, wordt welras gedaan; –
’t Hart was betooverd, zag het oog hem aan;
   Want op zijn aanschijn was in ’t klein gemaald,
   Wat nog van ’t paradijs in ’t menschdom straalt.

„Door mann’lijkheid blonk nog zijn kin niet uit,
Daar ’t feniksdons er even op verscheen
Als fijnst fluweel op de onbeschrijfb’re huid,
Die schooner was dan ’t web er overheen;
Toch won ’t gelaat door dezen tooi; of neen,
   Wie kon beslissen van dit wereldwonder,
   Of ’t beter ware zooals ’t was, of zonder:

„En al zijn gaven waren als zijn vorm
Hij sprak gelijk een maagd, zoo vloeiend, zoet;
Doch bij een strijd met mannen als een storm,
Gelijk die in April of Mei vaak woedt,
Die, hoe ook loeiend, toch met geuren groet;
   Zijn heftigheid scheen zo het recht der jeugd
   En tooide valschheid met den glans der deugd.

„Reed hij te paard, hoe menig sprak: „Ziet hier,
Welk vuur een ros ontleent aan ’s meesters wil,
Op dienstbaarheid, op zijn besturing fier;
Hoe rent en wendt het, springt, staat plots’ling stil!”
En bij wie ’t zien ontstaat allicht verschil,
   Of ’t ros aan ’s ruiters kunst zijn eere dankt,
   Of hij zijn roem door ’s kleppers deugd erlangt.

„Doch allen spreken dra met ene stem
Zijn eigen doen moest glans en eere geven
Aan al het zijne, aan elken tooi; in hem,
Niet in zijn hulsel school der schoonheid leven;
En mocht ook eenig siersel er naar streven
   Zijn glans te meerd’ren, ’t bleek een ijdel pogen,
   Slechts hij kon van het schoone ’t schoon verhoogen.

„Op elke vraag, hoe diep ook, had zijn tong,
Op elk bezwaar, als iemand hem bestreed,
Terstond een antwoord, dat tot luist’ren dwong,
Dat weeners lachen, lachers weenen deed,
Dat medesleepte en voor hem won, gereed;
   Hij had de taal, elke uiting in zijn macht,
   Zijn wil vatte elken hartstocht, en met kracht.

„Van allen moest het hart als vorst hem eeren,
Van jong en oud, van mannen en van vrouwen,
In ’t leven, in den geest met hem verkeeren,
Hem volgen, waar het oog hem mocht aanschouwen,
Hem, eer ’t verlangd werd, groeten met vertrouwen,
   Zijn wenschen, eer hij ze uitte, zich onthullen,
   Ze na ’t vernemen ras van zelf vervullen.

„En velen schaften zijn portret zich aan,
Om met het zien er van hun ziel te laven,
Als dwazen, die al wakend droomen gaan
Van huis en hof en tal van rijke gaven,
Die zij de hunne denken; toch, zij slaven
   Met meer genot op dat denkbeeldig goed,
   Dan de echte, jichtige bezitter doet.

„Zoo waande menig maagd, die nooit zijn hand
Had aangeraakt, toch in zijn hart te tronen.
Ik zelve, ik arme, een vrijleen, hoog van stand,
Door niets verplicht hem hulde te betoonen,
Zag kunst en jeugd vereenigd in hem wonen,
   Gaf ziel en zin aan zijn betoov’ring over,
   Behield den steel, en schonk hem bloem en loover.

„Toch deed ik niet, wat menige and’re deed,
Drong mij niet op, gaf aan geen be gehoor;
Mij docht, dat zwakheid met mijn eere streed,
En fierheid was het schild, dat ik verkoor,
Want menig voorbeeld hield de Faam mij voor
   Als bolwerk, dat dit valsch juweel zijn gloed
   Steeds hoogde door een grond van hartebloed.

„Ach! wie werd ooit door voorbeeld afgeschrikt,
En meed de zonde, als zij die moest bestaan?
Of bracht ooit, was zij eens door lust verstrikt,
Daartegen and’rer noodlot zelf ter baan?
Al stuite raad een poos, wat voort wil gaan,
   Vaak wordt er onze drift, wanneer wij razen,
   Bij al zijn dooven slechts door aangeblazen.

„Neen, dit brengt geen bedaring aan ons bloed,
Als wij met and’rer leed het breid’len moeten:
Al wat verboden wordt, schijnt dubbel zoet:
Wat deert het ons, of and’ren moeten boeten?
O lust, gij schuwt steeds, goeden raad te ontmoeten!
   U brandt een dorst, die u tot proeven noodt,
   Al weent de Rede en roept: „Het is uw dood!”

„Ik wist toch, dat hij trouwloos was van aard,
En offers kende ik van zijn sluwe schuld;
’k Wist, dat hij plantte in meen’gen vreemden gaard,
Zag door zijn glimlach loos bedrog verguld,
Ik wist zijn lust, door eeden sluw omhuld,
   Dacht woord en schrift een mom, dat valschheid dekt,
   Een bastaardteelt, in ’t wulpsche hart verwekt.

„Zoo hield ik lang de veste mijner deugd,
Tot hij mij dus bestormde: „Lieve maagd,
Heb deernis met de smarten mijner jeugd,
Sta bij mijn heil’ge eeden niet versaagd;
Als u sprak ik nooit and’ren toe; gevraagd,
   Ja, werd ik vaak op ’t feest der min, tot u
   Smeek ik thans zelf; zoo deed ik nooit voor nu

„„Ach, al de zonden, die gij van mij weet,
Ontsprongen in het bloed, niet in ’t gemoed,
Neen, niet uit liefde; wat ik zeide of deed,
Het schond geen echte liefde en trouw; ’t is goed,
Dat wie de schande zoekt, door schande boet;
   Zoo hebben zij, die ’t heftigst mij verklagen,
   Den meesten smaad, ik weinig slechts te dragen.

„„Wat schoonen ik ook zag, geen enkel hart
Deed door zijn gloed het mijne in min ontgloeien,
Of wekte in mij de minste liefdesmart,
Of wist mijn ziel door tooverkracht te boeien;
Haar tranen deden nooit de mijne vloeien;
   Droeg menig hart mijn dienstkleed, ik bleef vrij
   En oefende onbeperkte heerschappij.

„„Zie, welk een schatting mij de in ’t hart gewonden
Van bleeke parels, van robijnengloed,
Als zinnebeelden van haar hartstocht zonden,
Wier bloed’loos wit, wier purper, als van bloed,
Het leed en ’t blozen meldt van ’t bang gemoed;
   Want zeet’len angst en schaamte in ’t innigst wezen,
   De strijd er van is op ’t gelaat te lezen.

„„En zie, dit haar, verliefd met goud doorweven,
In dit kleinood, en dat, – zie heel dien schat,
Door meen’ge teed’re schoone mij gegeven,
Die weenend mij, dat ik het aannam, bad,
En bij haar pand, in steenen rijk gevat,
   Een zinrijk klinkrijm voegde, dat heel de’ aard,
   De waarde en taal van elken steen verklaart.


„„De diamant, hard bij zijn kille pracht,
Verkondt, dat hij voor niets ter wereld zwicht;
De groene steen, de lieflijke smaragd,
Heelt door zijn zachten glans een zwak gezicht;
Saffieren, blauw, verspreiden hemelsch licht;
   De opaal is kleurrijk; zoo blaast sluw de min
   Aan elken steen een juich- of klaagtoon in.

„„Zie, al die wapens van een vuur’gen gloed,
Die hulden na voldongen droeven strijd,
Ik mag ze niet behouden, maar ik moet
Ze wijden, nu ikzelf de nerlaag lijd,
Aan u, die mijn begin en einde zijt;
   U komt dit offer toe, want ja, erken,
   Dat gij mijn heil’ge zijt, ik ’t outer ben.

„„O! strek dan uit uw werglooze hand,
Wier blank de stem van elken lof doet zwijgen;
Neem ieder zinn’beeld, ieder liefdepand,
Door ’t vurig hart gewijd met angstig hijgen;
Wat mijn was, moge, als ’t uwe, in waarde stijgen;
   Wat stuksgewijs aan mij werd toegedacht,
   Wordt thans, vereend, als hulde aan u gebracht.

„„Dit kantwerk, zie, gewerd mij van een non,
Een zuster, om’ haar vroomheid hoogvereerd,
Aan ’t hof pas aangebeden als een zon,
Maar die zich van ’t gevlei had afgekeerd;
Zij werd door al wat edel was begeerd,
   Doch trok zich koel terug, en al haar streven
   Was, voor de liefde Gods alleen te leven.

„„Doch, lieve! ’t onbekende is licht te ontberen,
Gemakk’lijk wordt bedwongen, wat wil bukken,
Een plaats beschut, die niemand tracht te deren,
Goed spotten is ’t met keet’nen, die niet drukken, –
Onoverwonnen blijven kan gelukken,
   Als men door vluchten elke wond vermijdt,
   Maar ’t is afwezigheid, niet deugd, die strijdt.

„„Vergeef mij, ’k poch, maar waar is ’t; hoor mij aan!
Het toeval had op mij haar oog gericht;
Dat oogenblik was ’t met haar kracht gedaan;
Haar klooster – kerker werd het, vluchten – plicht,
Een nieuwer eerdienst maakt, dat de oude zwicht;
   ’t Ontvlieden van de wereld was haar doel,
   Dra zoekt zij mij in ’s werelds bont gewoel.

„„Hoe groot is uwe macht! laat mij ’t verkonden!
Al die gebroken harten, mij gewijd,
Zij doen in mijnen stroom hun beken monden,
Ik ’t mijne in uwen oceaan; ’k belijd:
Ben ik de machtige over hen, gij zijt
   Het mij, ons aller gloed valt u ten deel,
   Opdat die liefde uw kouden boezem heel’.

„„’k Bekoorde een hemelbruid door tooverkracht,
Die, schoon in vroomheids school streng opgevoed,
Haar oog geloofde, en boog voor mijne macht,
En door geen eed, geen wijding werd behoed;
O liefdes almacht! eed noch vroom gemoed
   Noch kloostermuur beschermt, of stuit uw vaart,
   Want gij zijt alles, u behoort heel de aard.

„„Wat voorbeeld baat, wat leering, welk vermaan,
Als gij gebiedt? Gij heerscht als opperheer,
Ontvlamt en sleept elk mede op uwe baan
Trots rijkdom, wet, roem, kinderliefde en eer,
Gij onderwerpt, hoe schaamte en moed zich weer’;
   Maar welk een bitt’re smart gij ook bereidt,
   Gij lenigt de’ alsem door uw lieflijkheid.

„„Weet, al die harten, die in ’t mijne leven
En ’t voelen breken, sterven mee van pijn,
En doen hun zuchten smeekend tot u zweven,
Dat gij den strijd niet voortzet, tegen ’t mijn’,
En gunstig voor mijn wensch gezind wilt zijn,
   En aan den eed, oprechtlijk u gedaan,
   Die borg is van mijn trouw, geloof wilt slaan.”

„Hij zweeg en liet zijn vochte blikken dalen,
Tot nog toe strak gericht op mijn gelaat;
Zijn wangen schijnen nu door ’t zilt, te stralen,
Dat rijk’lijk met een tweeling stroom ze baadt;
Wat bedding, die een stroom zoo schitt’ren laat!
   Terwijl ’t kristallen dek der wangen blozen
   Verhoogt, ze vlammen doet als vuur’ge rozen.

„O vader! huist reeds in een enk’len traan,
En kleine parel, zulk een toovermacht,
Welk hart kan overstrooming dan weerstaan,
Wordt niet, al zij het vast als rots, verzacht,
Smelt niet, hoe koud ook, door die wond’re kracht?
   O dubb’le werking! heete drift wordt koel,
   En kille kuischheid flakkert van gevoel!

„Bedrog was zijn ontroering; toch, zij deed
Mijn rede in tranen smelten, ach! totdat
Ik mijner eere blank gewaad versmeet,
En zedigheid en schroom vergeten had,
Hem, zooals hij het mij deed, tegentrad,
   In tranen; doch ’t verschil was, dat de zijne
   Vergif mij waren, laaf’nis hem de mijne.

„Zoozeer is kunst en list in hem vereend,
Dat niemand ziet, of hij een masker draagt;
En toch, hij toont een vuur’gen blos of weent,
Of is ontdaan of bleek, naar ’t hem behaagt,
Wanneer hij acht, dat zoo ’t bedriegen slaagt;
   Oneerb’re taal, – hij bloost; diep leed, – hij schreit;
   Een treurtooneel, – zijn zwijmelbleek misleidt.

„Geen hart kwam in ’t bereik ooit van zijn macht,
Of ’t viel aan zijne flitsen dra ten buit;
Onschuldig scheen zijn aard, welwillend, zacht,
En door dit mom werd wederstand gestuit;
En stag verwierp hij, wat zijn lust was, luid:
   Was hij ontvlamd door snooden, fellen gloed,
   Hij roemde kuischheid en een koel gemoed.

„Zoo wierp hij sluw eens engels blank gewaad
Den naakten duivel om, die in hem leefde,
En de onervaar’ne zag in hem geen kwaad,
Die als een cherub over de onschuld zweefde.
Wat maagd, die niet naar zulk een minnaar streefde!
   Wee mij! ik viel, maar waag niet, uit te spreken,
   Wat ik zou doen, als hij nog eens kwam smeeken.

„O giftig vocht, dat opwelde in zijn oog!
O huich’lend, in zijn wangen stijgend bloed!
O dondergalm, waar ’t holle hart me loog!
O droeve zucht, in vooze borst gevoed!
O valsche, ontleende, schijnbaar echte gloed!
   Zij zouden de bedroog’ne nogmaals roeren,
   De boet’ling weer in de’ arm der zonde voeren!”


Engelse teksten
oude spelling

Andere vertalingen:
Verwey
Decroos
Jonk
Van der Krogt

Aanteekeningen
Alles op 1 pagina
Digitaal boek

Lover's Complaint

Sonnet 1
Sonnet 2
Sonnet 3
Sonnet 4
Sonnet 5
Sonnet 6
Sonnet 7
Sonnet 8
Sonnet 9
Sonnet 10
Sonnet 11
Sonnet 12
Sonnet 13
Sonnet 14
Sonnet 15
Sonnet 16
Sonnet 17
Sonnet 18
Sonnet 19
Sonnet 20
Sonnet 21
Sonnet 22
Sonnet 23
Sonnet 24
Sonnet 25
Sonnet 26
Sonnet 27
Sonnet 28
Sonnet 29
Sonnet 30
Sonnet 31
Sonnet 32
Sonnet 33
Sonnet 34
Sonnet 35
Sonnet 36
Sonnet 37
Sonnet 38
Sonnet 39
Sonnet 40
Sonnet 41
Sonnet 42
Sonnet 43
Sonnet 44
Sonnet 45
Sonnet 46
Sonnet 47
Sonnet 48
Sonnet 49
Sonnet 50
Sonnet 51
Sonnet 52
Sonnet 53
Sonnet 54
Sonnet 55
Sonnet 56
sonnet 57
Sonnet 58
Sonnet 59
Sonnet 60
Sonnet 61
Sonnet 62
Sonnet 63
Sonnet 64
Sonnet 65
Sonnet 66
Sonnet 67
Sonnet 68
Sonnet 69
Sonnet 70
Sonnet 71
Sonnet 72
Sonnet 73
Sonnet 74
Sonnet 75
Sonnet 76
Sonnet 77
Sonnet 78
Sonnet 79
Sonnet 80
sonnet 81
Sonnet 82
Sonnet 83
Sonnet 84
Sonnet 85
Sonnet 86
Sonnet 87
Sonnet 88
Sonnet 89
Sonnet 90
Sonnet 91
Sonnet 92
Sonnet 93
Sonnet 94
Sonnet 95
Sonnet 96
Sonnet 97
Sonnet 98
Sonnet 99
Sonnet 100
Sonnet 101
Sonnet 102
Sonnet 103
Sonnet 104
Sonnet 105
Sonnet 106
Sonnet 107
Sonnet 108
Sonnet 109
Sonnet 110
Sonnet 111
Sonnet 112
Sonnet 113
Sonnet 114
Sonnet 115
Sonnet 116
Sonnet 117
Sonnet 118
Sonnet 119
Sonnet 120
Sonnet 121
Sonnet 122
Sonnet 123
Sonnet 124
Sonnet 125
Sonnet 126
Sonnet 127
Sonnet 128
Sonnet 129
Sonnet 130
Sonnet 131
Sonnet 132
Sonnet 133
Sonnet 134
Sonnet 135
Sonnet 136
Sonnet 137
Sonnet 138
Sonnet 139
Sonnet 140
Sonnet 141
Sonnet 142
Sonnet 143
Sonnet 144
Sonnet 145
Sonnet 146
Sonnet 147
sonnet 148
Sonnet 149
Sonnet 150
Sonnet 151
Sonnet 152
Sonnet 153
Sonnet 154
Lover's Complaint
Digitaal boek