Franks homepage
Nieuw op de site
Contact
Zoeken
English

foto van Burgersdijk

Shakespeare:
Voorwoord
Bibliografie
Tekstverantwoording
Vertalingen
Bewerkingen
A Lover's Complaint
De sonnetvorm
Shakespeare-links

Vertalers:
Burgersdijk
Albert Verwey
J. Decroos
Boutens
Moulijn-Haitsma Mulier
Jan Campert
Hugo Claus


Tijdgenoten:
Edmund Spenser
John Donne


Statistieken/Privacy

EEN MINNEKLACHT.

’t Lag op een heuvel en zijn holle schoot
Herhaalde van het zusterdal een klacht,
Wier dubb’le galm mij ’t luisteren gebood,
Mijn geest een droef verhaal van jammer bracht;
’k Ontwaarde een meisjen, dood’lijk bleek, gaf acht,
   Zag brieven scheuren, ringen breken, vlagen
   Van schokkend wee haar wereld fel belagen.

Een vlakken strooien hoed droeg ze op het hoofd,
Die haar gelaat beschutte voor de zon,
Waarin wie toeziet, nog te zien gelooft
’t Puin van een schoon, dat bitter leed verwon;
Iets had de Tijd, van wat de jeugd begon,
   Niet gansch gemaaid, maar trots zijn felle zicht
   Straalt soms door ’t rimp’lig venster schoonheids licht.

Vaak drukt zij zich den zakdoek voor het oog,
Een doek, met teekens, rijk aan kunst, doorweven,
En wascht de zijde met een zilten loog,
Door smart tot held’re druppels saamgedreven,
En leest, wat zin die liefdeteekens geven;
   En slaakt dan vaak een onverstaanb’ren kreet,
   Hoog, laag, maar immer tolk van ’t grievendst leed.

Nu richt zij ’t vuur der blikken naar den hoogen,
Als kozen zij de spheren zich ten buit;
Dan, afgewend, richt zij haar vochtige oogen
Op ’t ver verschiet; dan staart zij strak vooruit;
Dan zwerven met een vaart, door niets gestuit,
   Haar blikken heen en weer, op niets gericht;
   ’t Is waanzin van de ziel en van ’t gezicht.

Heur haar, niet los, noch zorgvol saamgebonden,
Verraadt een hand, die allen pronk versmaadt;
En deel heeft aan den stroohoed zich ontwonden
En hangt haar langs het moede, bleek gelaat;
En deel bleef nog in vlechten en weerstaat
   Den dwang om aan de banden zich te ontwringen,
   Die achtloos, los, het golvend haar omringen.

Veel parels neemt zij, gitten en kristallen,
Al liefdepanden, in een mand bevat,
En laat die een voor een in ’t water vallen
Der beek, waar ze aan den weenende’ oever zat,
Op woek’raarswijs nat voegend bij het nat,
   Of als een vorstenhand, die rijk’lijk geeft,
   Niet waar nood roept, maar aan wie rijk’lijk heeft.

Nu neemt zij brief op briefjen, dat ze ontvouwt,
Doorleest, verscheurt, en naoogt op den vloed. –
Breekt ring op ring, met spreuk, eenmaal vertrouwd,
Maar die ze in ’t slib een graf nu zoeken doet;
Dan volgen brieven, ach! gepend met bloed,
   Door teed’re zorg met fijne zijde omtogen,
   Door ’t zegel veilig voor nieuwsgierige oogen.

Zij baadt met stroomende oogen vaak dit schrift,
En kust het, voor zij ’t stuk rijt, keer op keer,
Roept: ’O valsch bloed, dient gij een logenstift?
Wat stelt ge in ’t plegen van verraad uw eer?
Inkt paste, als zwart en helsch van kleur, hier meer!”
   Zoo spreekt ze, en langer draalt, haar woede niet;
   ’t Verscheurde hart verscheurt, wat haar verried.

Een waardig man, die daar zijn kudde weidde, –
Een woelgeest eens, die in de warr’ling leefde
Van hof en stad, maar lang reeds hieruit scheidde,
En nadacht, hoe zijn jeugd hem ras ontzweefde, –
Trad op deze arme liefde toe, en streefde,
   Naar ’t voorrecht van zijn leeftijd, door zijn vragen
   In ’t kort den grond te weten van haar klagen.

Zoo daalt hij zachtkens op geknoesten staf,
En zet zich bij haar, niet opdringend dicht,
Vraagt haar op nieuw mewarig de oorzaak af
Van zulk een leed; misschien, zoo zij ’t bericht.
Dat hij door raad of daad liet haar verlicht;
   Zij deele ’t mee; bij heeft, schoon hoogbejaard,
   Een warm gevoel steeds in zijn borst bewaard.

„Hoewel gij, vader”, – zegt ze, – „in mij aanschouwt
De macht van vele mart’lingvolle stonden,
Toch achte uw wijsheid hierom mij niet oud;
Niet tijd, maar kommer sloeg mijn schoonheid wonden;
’k Wierd door uw oog een jonge bloem bevonden,
   Nog frisch van glans, had ik mijn liefde aan mij,
   Mijzelf gewijd, van and’re liefde vrij.

„Doch wee mij! al te vroeg leende ik het oor
Aan ’t smeeken, – ’t was om naar mijn gunst te dingen, –
Van een, dien zoo natuur tot gunst’ling koor,
Dat slechts aan hem der meisjes oogen hingen;
De liefde zocht een thuis bij jongelingen,
   Koos hem, en toen zij in zijn schoonheid woonde,
   Toen eerst werd zij godin, die godd’lijk troonde.

„Zijn haar omkrulde ’t hoofd met bruine lokken;
Die kusten, mocht het minste tochtje ontstaan,
Zijn roode lippen met hun zijden vlokken, –
Wat zoet te doen is, wordt welras gedaan; –
’t Hart was betooverd, zag het oog hem aan;
   Want op zijn aanschijn was in ’t klein gemaald,
   Wat nog van ’t paradijs in ’t menschdom straalt.

„Door mann’lijkheid blonk nog zijn kin niet uit,
Daar ’t feniksdons er even op verscheen
Als fijnst fluweel op de onbeschrijfb’re huid,
Die schooner was dan ’t web er overheen;
Toch won ’t gelaat door dezen tooi; of neen,
   Wie kon beslissen van dit wereldwonder,
   Of ’t beter ware zooals ’t was, of zonder:

„En al zijn gaven waren als zijn vorm
Hij sprak gelijk een maagd, zoo vloeiend, zoet;
Doch bij een strijd met mannen als een storm,
Gelijk die in April of Mei vaak woedt,
Die, hoe ook loeiend, toch met geuren groet;
   Zijn heftigheid scheen zo het recht der jeugd
   En tooide valschheid met den glans der deugd.

„Reed hij te paard, hoe menig sprak: „Ziet hier,
Welk vuur een ros ontleent aan ’s meesters wil,
Op dienstbaarheid, op zijn besturing fier;
Hoe rent en wendt het, springt, staat plots’ling stil!”
En bij wie ’t zien ontstaat allicht verschil,
   Of ’t ros aan ’s ruiters kunst zijn eere dankt,
   Of hij zijn roem door ’s kleppers deugd erlangt.

„Doch allen spreken dra met ene stem
Zijn eigen doen moest glans en eere geven
Aan al het zijne, aan elken tooi; in hem,
Niet in zijn hulsel school der schoonheid leven;
En mocht ook eenig siersel er naar streven
   Zijn glans te meerd’ren, ’t bleek een ijdel pogen,
   Slechts hij kon van het schoone ’t schoon verhoogen.

„Op elke vraag, hoe diep ook, had zijn tong,
Op elk bezwaar, als iemand hem bestreed,
Terstond een antwoord, dat tot luist’ren dwong,
Dat weeners lachen, lachers weenen deed,
Dat medesleepte en voor hem won, gereed;
   Hij had de taal, elke uiting in zijn macht,
   Zijn wil vatte elken hartstocht, en met kracht.

„Van allen moest het hart als vorst hem eeren,
Van jong en oud, van mannen en van vrouwen,
In ’t leven, in den geest met hem verkeeren,
Hem volgen, waar het oog hem mocht aanschouwen,
Hem, eer ’t verlangd werd, groeten met vertrouwen,
   Zijn wenschen, eer hij ze uitte, zich onthullen,
   Ze na ’t vernemen ras van zelf vervullen.

„En velen schaften zijn portret zich aan,
Om met het zien er van hun ziel te laven,
Als dwazen, die al wakend droomen gaan
Van huis en hof en tal van rijke gaven,
Die zij de hunne denken; toch, zij slaven
   Met meer genot op dat denkbeeldig goed,
   Dan de echte, jichtige bezitter doet.

„Zoo waande menig maagd, die nooit zijn hand
Had aangeraakt, toch in zijn hart te tronen.
Ik zelve, ik arme, een vrijleen, hoog van stand,
Door niets verplicht hem hulde te betoonen,
Zag kunst en jeugd vereenigd in hem wonen,
   Gaf ziel en zin aan zijn betoov’ring over,
   Behield den steel, en schonk hem bloem en loover.

„Toch deed ik niet, wat menige and’re deed,
Drong mij niet op, gaf aan geen be gehoor;
Mij docht, dat zwakheid met mijn eere streed,
En fierheid was het schild, dat ik verkoor,
Want menig voorbeeld hield de Faam mij voor
   Als bolwerk, dat dit valsch juweel zijn gloed
   Steeds hoogde door een grond van hartebloed.

„Ach! wie werd ooit door voorbeeld afgeschrikt,
En meed de zonde, als zij die moest bestaan?
Of bracht ooit, was zij eens door lust verstrikt,
Daartegen and’rer noodlot zelf ter baan?
Al stuite raad een poos, wat voort wil gaan,
   Vaak wordt er onze drift, wanneer wij razen,
   Bij al zijn dooven slechts door aangeblazen.

„Neen, dit brengt geen bedaring aan ons bloed,
Als wij met and’rer leed het breid’len moeten:
Al wat verboden wordt, schijnt dubbel zoet:
Wat deert het ons, of and’ren moeten boeten?
O lust, gij schuwt steeds, goeden raad te ontmoeten!
   U brandt een dorst, die u tot proeven noodt,
   Al weent de Rede en roept: „Het is uw dood!”

„Ik wist toch, dat hij trouwloos was van aard,
En offers kende ik van zijn sluwe schuld;
’k Wist, dat hij plantte in meen’gen vreemden gaard,
Zag door zijn glimlach loos bedrog verguld,
Ik wist zijn lust, door eeden sluw omhuld,
   Dacht woord en schrift een mom, dat valschheid dekt,
   Een bastaardteelt, in ’t wulpsche hart verwekt.

„Zoo hield ik lang de veste mijner deugd,
Tot hij mij dus bestormde: „Lieve maagd,
Heb deernis met de smarten mijner jeugd,
Sta bij mijn heil’ge eeden niet versaagd;
Als u sprak ik nooit and’ren toe; gevraagd,
   Ja, werd ik vaak op ’t feest der min, tot u
   Smeek ik thans zelf; zoo deed ik nooit voor nu

„„Ach, al de zonden, die gij van mij weet,
Ontsprongen in het bloed, niet in ’t gemoed,
Neen, niet uit liefde; wat ik zeide of deed,
Het schond geen echte liefde en trouw; ’t is goed,
Dat wie de schande zoekt, door schande boet;
   Zoo hebben zij, die ’t heftigst mij verklagen,
   Den meesten smaad, ik weinig slechts te dragen.

„„Wat schoonen ik ook zag, geen enkel hart
Deed door zijn gloed het mijne in min ontgloeien,
Of wekte in mij de minste liefdesmart,
Of wist mijn ziel door tooverkracht te boeien;
Haar tranen deden nooit de mijne vloeien;
   Droeg menig hart mijn dienstkleed, ik bleef vrij
   En oefende onbeperkte heerschappij.

„„Zie, welk een schatting mij de in ’t hart gewonden
Van bleeke parels, van robijnengloed,
Als zinnebeelden van haar hartstocht zonden,
Wier bloed’loos wit, wier purper, als van bloed,
Het leed en ’t blozen meldt van ’t bang gemoed;
   Want zeet’len angst en schaamte in ’t innigst wezen,
   De strijd er van is op ’t gelaat te lezen.

„„En zie, dit haar, verliefd met goud doorweven,
In dit kleinood, en dat, – zie heel dien schat,
Door meen’ge teed’re schoone mij gegeven,
Die weenend mij, dat ik het aannam, bad,
En bij haar pand, in steenen rijk gevat,
   Een zinrijk klinkrijm voegde, dat heel de’ aard,
   De waarde en taal van elken steen verklaart.


„„De diamant, hard bij zijn kille pracht,
Verkondt, dat hij voor niets ter wereld zwicht;
De groene steen, de lieflijke smaragd,
Heelt door zijn zachten glans een zwak gezicht;
Saffieren, blauw, verspreiden hemelsch licht;
   De opaal is kleurrijk; zoo blaast sluw de min
   Aan elken steen een juich- of klaagtoon in.

„„Zie, al die wapens van een vuur’gen gloed,
Die hulden na voldongen droeven strijd,
Ik mag ze niet behouden, maar ik moet
Ze wijden, nu ikzelf de nerlaag lijd,
Aan u, die mijn begin en einde zijt;
   U komt dit offer toe, want ja, erken,
   Dat gij mijn heil’ge zijt, ik ’t outer ben.

„„O! strek dan uit uw werglooze hand,
Wier blank de stem van elken lof doet zwijgen;
Neem ieder zinn’beeld, ieder liefdepand,
Door ’t vurig hart gewijd met angstig hijgen;
Wat mijn was, moge, als ’t uwe, in waarde stijgen;
   Wat stuksgewijs aan mij werd toegedacht,
   Wordt thans, vereend, als hulde aan u gebracht.

„„Dit kantwerk, zie, gewerd mij van een non,
Een zuster, om’ haar vroomheid hoogvereerd,
Aan ’t hof pas aangebeden als een zon,
Maar die zich van ’t gevlei had afgekeerd;
Zij werd door al wat edel was begeerd,
   Doch trok zich koel terug, en al haar streven
   Was, voor de liefde Gods alleen te leven.

„„Doch, lieve! ’t onbekende is licht te ontberen,
Gemakk’lijk wordt bedwongen, wat wil bukken,
Een plaats beschut, die niemand tracht te deren,
Goed spotten is ’t met keet’nen, die niet drukken, –
Onoverwonnen blijven kan gelukken,
   Als men door vluchten elke wond vermijdt,
   Maar ’t is afwezigheid, niet deugd, die strijdt.

„„Vergeef mij, ’k poch, maar waar is ’t; hoor mij aan!
Het toeval had op mij haar oog gericht;
Dat oogenblik was ’t met haar kracht gedaan;
Haar klooster – kerker werd het, vluchten – plicht,
Een nieuwer eerdienst maakt, dat de oude zwicht;
   ’t Ontvlieden van de wereld was haar doel,
   Dra zoekt zij mij in ’s werelds bont gewoel.

„„Hoe groot is uwe macht! laat mij ’t verkonden!
Al die gebroken harten, mij gewijd,
Zij doen in mijnen stroom hun beken monden,
Ik ’t mijne in uwen oceaan; ’k belijd:
Ben ik de machtige over hen, gij zijt
   Het mij, ons aller gloed valt u ten deel,
   Opdat die liefde uw kouden boezem heel’.

„„’k Bekoorde een hemelbruid door tooverkracht,
Die, schoon in vroomheids school streng opgevoed,
Haar oog geloofde, en boog voor mijne macht,
En door geen eed, geen wijding werd behoed;
O liefdes almacht! eed noch vroom gemoed
   Noch kloostermuur beschermt, of stuit uw vaart,
   Want gij zijt alles, u behoort heel de aard.

„„Wat voorbeeld baat, wat leering, welk vermaan,
Als gij gebiedt? Gij heerscht als opperheer,
Ontvlamt en sleept elk mede op uwe baan
Trots rijkdom, wet, roem, kinderliefde en eer,
Gij onderwerpt, hoe schaamte en moed zich weer’;
   Maar welk een bitt’re smart gij ook bereidt,
   Gij lenigt de’ alsem door uw lieflijkheid.

„„Weet, al die harten, die in ’t mijne leven
En ’t voelen breken, sterven mee van pijn,
En doen hun zuchten smeekend tot u zweven,
Dat gij den strijd niet voortzet, tegen ’t mijn’,
En gunstig voor mijn wensch gezind wilt zijn,
   En aan den eed, oprechtlijk u gedaan,
   Die borg is van mijn trouw, geloof wilt slaan.”

„Hij zweeg en liet zijn vochte blikken dalen,
Tot nog toe strak gericht op mijn gelaat;
Zijn wangen schijnen nu door ’t zilt, te stralen,
Dat rijk’lijk met een tweeling stroom ze baadt;
Wat bedding, die een stroom zoo schitt’ren laat!
   Terwijl ’t kristallen dek der wangen blozen
   Verhoogt, ze vlammen doet als vuur’ge rozen.

„O vader! huist reeds in een enk’len traan,
En kleine parel, zulk een toovermacht,
Welk hart kan overstrooming dan weerstaan,
Wordt niet, al zij het vast als rots, verzacht,
Smelt niet, hoe koud ook, door die wond’re kracht?
   O dubb’le werking! heete drift wordt koel,
   En kille kuischheid flakkert van gevoel!

„Bedrog was zijn ontroering; toch, zij deed
Mijn rede in tranen smelten, ach! totdat
Ik mijner eere blank gewaad versmeet,
En zedigheid en schroom vergeten had,
Hem, zooals hij het mij deed, tegentrad,
   In tranen; doch ’t verschil was, dat de zijne
   Vergif mij waren, laaf’nis hem de mijne.

„Zoozeer is kunst en list in hem vereend,
Dat niemand ziet, of hij een masker draagt;
En toch, hij toont een vuur’gen blos of weent,
Of is ontdaan of bleek, naar ’t hem behaagt,
Wanneer hij acht, dat zoo ’t bedriegen slaagt;
   Oneerb’re taal, – hij bloost; diep leed, – hij schreit;
   Een treurtooneel, – zijn zwijmelbleek misleidt.

„Geen hart kwam in ’t bereik ooit van zijn macht,
Of ’t viel aan zijne flitsen dra ten buit;
Onschuldig scheen zijn aard, welwillend, zacht,
En door dit mom werd wederstand gestuit;
En stag verwierp hij, wat zijn lust was, luid:
   Was hij ontvlamd door snooden, fellen gloed,
   Hij roemde kuischheid en een koel gemoed.

„Zoo wierp hij sluw eens engels blank gewaad
Den naakten duivel om, die in hem leefde,
En de onervaar’ne zag in hem geen kwaad,
Die als een cherub over de onschuld zweefde.
Wat maagd, die niet naar zulk een minnaar streefde!
   Wee mij! ik viel, maar waag niet, uit te spreken,
   Wat ik zou doen, als hij nog eens kwam smeeken.

„O giftig vocht, dat opwelde in zijn oog!
O huich’lend, in zijn wangen stijgend bloed!
O dondergalm, waar ’t holle hart me loog!
O droeve zucht, in vooze borst gevoed!
O valsche, ontleende, schijnbaar echte gloed!
   Zij zouden de bedroog’ne nogmaals roeren,
   De boet’ling weer in de’ arm der zonde voeren!”


Uit: Dr. L. A. J. Burgersdijk, De Werken van William Shakespeare, deel 12, uitgegeven door E. J. Brill, Leiden, 1884-1888.






Inleiding
Aanteekeningen
Engelse tekst
facsimile

Sonnetten:
Aanteekeningen
Alles op 1 pagina
Digitaal boek

Sonnet 1
Sonnet 2
Sonnet 3
Sonnet 4
Sonnet 5
Sonnet 6
Sonnet 7
Sonnet 8
Sonnet 9
Sonnet 10
Sonnet 11
Sonnet 12
Sonnet 13
Sonnet 14
Sonnet 15
Sonnet 16
Sonnet 17
Sonnet 18
Sonnet 19
Sonnet 20
Sonnet 21
Sonnet 22
Sonnet 23
Sonnet 24
Sonnet 25
Sonnet 26
Sonnet 27
Sonnet 28
Sonnet 29
Sonnet 30
Sonnet 31
Sonnet 32
Sonnet 33
Sonnet 34
Sonnet 35
Sonnet 36
Sonnet 37
Sonnet 38
Sonnet 39
Sonnet 40
Sonnet 41
Sonnet 42
Sonnet 43
Sonnet 44
Sonnet 45
Sonnet 46
Sonnet 47
Sonnet 48
Sonnet 49
Sonnet 50
Sonnet 51
Sonnet 52
Sonnet 53
Sonnet 54
Sonnet 55
Sonnet 56
sonnet 57
Sonnet 58
Sonnet 59
Sonnet 60
Sonnet 61
Sonnet 62
Sonnet 63
Sonnet 64
Sonnet 65
Sonnet 66
Sonnet 67
Sonnet 68
Sonnet 69
Sonnet 70
Sonnet 71
Sonnet 72
Sonnet 73
Sonnet 74
Sonnet 75
Sonnet 76
Sonnet 77
Sonnet 78
Sonnet 79
Sonnet 80
sonnet 81
Sonnet 82
Sonnet 83
Sonnet 84
Sonnet 85
Sonnet 86
Sonnet 87
Sonnet 88
Sonnet 89
Sonnet 90
Sonnet 91
Sonnet 92
Sonnet 93
Sonnet 94
Sonnet 95
Sonnet 96
Sonnet 97
Sonnet 98
Sonnet 99
Sonnet 100
Sonnet 101
Sonnet 102
Sonnet 103
Sonnet 104
Sonnet 105
Sonnet 106
Sonnet 107
Sonnet 108
Sonnet 109
Sonnet 110
Sonnet 111
Sonnet 112
Sonnet 113
Sonnet 114
Sonnet 115
Sonnet 116
Sonnet 117
Sonnet 118
Sonnet 119
Sonnet 120
Sonnet 121
Sonnet 122
Sonnet 123
Sonnet 124
Sonnet 125
Sonnet 126
Sonnet 127
Sonnet 128
Sonnet 129
Sonnet 130
Sonnet 131
Sonnet 132
Sonnet 133
Sonnet 134
Sonnet 135
Sonnet 136
Sonnet 137
Sonnet 138
Sonnet 139
Sonnet 140
Sonnet 141
Sonnet 142
Sonnet 143
Sonnet 144
Sonnet 145
Sonnet 146
Sonnet 147
sonnet 148
Sonnet 149
Sonnet 150
Sonnet 151
Sonnet 152
Sonnet 153
Sonnet 154
Lover's Complaint