Franks homepage
Nieuw op de site
Contact
Zoeken
English

voorplat van eerdere uitgave van 30 sonnetten vertaald door Decroos


Shakespeare:
Voorwoord
Bibliografie
Tekstverantwoording
Vertalingen
Bewerkingen
A Lover's Complaint
De sonnetvorm
Shakespeare-links

Vertalers:
Burgersdijk
Albert Verwey
J. Decroos
Boutens
Moulijn-Haitsma Mulier
Jan Campert
Hugo Claus


Tijdgenoten:
Edmund Spenser
John Donne


Statistieken/Privacy
De vertaling van Shakespeares sonnetten door J. Decroos (1930) is in een aantal opzichten opvallend anders dan andere vertalingen. Niet alleen gooit Decroos de volgorde van de sonnetten om, hij laat ze ook voorafgaan door drie sonnetten uit The Passionate Pilgrim. Dat is een gedichtenbundel uit 1599 die twee sonnetten van Shakespeare bevatte, en daarnaast nog 18 gedichten van andere schrijvers, die ten onrechte aan Shakespeare werden toegeschreven. Decroos ging ervan uit dat deze drie (zwakke) gedichten wel van Shakespeare waren (zie de 'Aantekeningen' onderaan de pagina); tegenwoordig denkt niemand dat nog.

Zie Wikipedia voor meer informatie over The Passionate Pilgrim.
De volledig tekst van de originelen staat o.a. hier.

1 (VI)

De zon had nauw den uchtenddauw gedronken,
Nauw zocht het vee de schaduw in de weide
Toen Cytheréa, heel in min verzonken,
Op haar Adonis vol verlangen beidde

Bij ’t beekjen, op welks oever teenhout groeide,
Waar jonge Adonis vaak zijn kommer koelde.
De dag was brandend heet, maar heeter gloeide
De Mingodin in wie de hartstocht woelde.

Daar daagt hij op, hij laat zijn mantel glijden
En staat spiernaakt op de’ oever. Over de aarde
Liet glorievol de zon heur blikken weiden,
Edoch zoo gretig niet als Venus staarde.

   Haar speurend plonst hij neer met luid geklater,
   „Ach” zucht zij, „Jupiter, ach, was ik ’t water!”


2 (IV)

Zie, hoe de schoone Venus aan een vliet
Bij lieve’ Adonis, jong en groen van zin,
Den knaap met zoet gelonk heur min bediedt;
Zóó lonken kan alleen de Mingodin.

Om ’t ook te lokken toont ze hem heur schoon,
Zij fluistert hem in ’t oor een minnesprook,
Strookt hem, om ’t hart te winnen, kin en koon:
Geen kuischheid wederstaat zulk zacht gestrook.

Maar ’tzij hij nog te onrijp is en te dwaas
Of weigert aan te bijten wijl ze ’t bood,
De teêre knabbelaar versmaadt het aas
En schertst en glimlacht telkens als ze noodt;

   Tot ze achterovervalt en minziek zucht
   Maar hij, weerspann’ge nar, springt op en vlucht.


3 (XI)

Venus en jonge Adonis zaten beide’
In myrtenschaÛw. Zij wilde hem belezen:
Ze zei den jongling hoe eens Mars haar vrijde
En neeg tot hem, lijk Mars tot haar voordezen.

„Zóó” zei ze, „placht de god me in de’ arm te zijgen,”
En in Adonis’ arm is zij gegleden;
„Zóó” zei ze, „placht de krijgsgod mij te ontrijgen”
Als moest hij, even dartel, haar ontkleeden.

„Zoo vatte” zeide zij, „zijn mond mijn lippen,”
en wil haar lippen aan de zijne lesschen,
maar, daar zij adem schept, is hij gaan glippen
en vat heur minne noch heur minnelessen.

   O had ik zoo mijn lief tot mijn genugte,
   Mij kussend en omhelzend tot ik vluchtte!



Aanteekeningen:

Deze drie sonnetten worden door verscheidene Shakespearedeskundigen aan Shakespeare toegeschreven. Het zijn wellicht de eerste sonnetten die Shakespeare heeft gedicht. Het is niet onwaarschijnlijk dat hij de stof die hij in zijn epos „Venus en Adonis” heeft verwerkt eerst in sonnetten heeft willen behandelen.


Uit: J. Decroos, Shakespeare's Sonnetten, Kortrijk: Steenlandt, 1930.




Inhoud
Inleiding
Venus/Adonis
Lofdicht

Sonnet 1
Sonnet 2
Sonnet 3
Sonnet 4
Sonnet 5
Sonnet 6
Sonnet 7
Sonnet 8
Sonnet 9
Sonnet 10
Sonnet 11
Sonnet 12
Sonnet 13
Sonnet 14
Sonnet 15
Sonnet 16
Sonnet 17
Sonnet 18
Sonnet 19
Sonnet 20
Sonnet 21
Sonnet 22
Sonnet 23
Sonnet 24
Sonnet 25
Sonnet 26
Sonnet 27
Sonnet 28
Sonnet 29
Sonnet 30
Sonnet 31
Sonnet 32
Sonnet 33
Sonnet 34
Sonnet 35
Sonnet 36
Sonnet 37
Sonnet 38
Sonnet 39
Sonnet 40
Sonnet 41
Sonnet 42
Sonnet 43
Sonnet 44
Sonnet 45
Sonnet 46
Sonnet 47
Sonnet 48
Sonnet 49
Sonnet 50
Sonnet 51
Sonnet 52
Sonnet 53
Sonnet 54
Sonnet 55
Sonnet 56
sonnet 57
Sonnet 58
Sonnet 59
Sonnet 60
Sonnet 61
Sonnet 62
Sonnet 63
Sonnet 64
Sonnet 65
Sonnet 66
Sonnet 67
Sonnet 68
Sonnet 69
Sonnet 70
Sonnet 71
Sonnet 72
Sonnet 73
Sonnet 74
Sonnet 75
Sonnet 76
Sonnet 77
Sonnet 78
Sonnet 79
Sonnet 80
sonnet 81
Sonnet 82
Sonnet 83
Sonnet 84
Sonnet 85
Sonnet 86
Sonnet 87
Sonnet 88
Sonnet 89
Sonnet 90
Sonnet 91
Sonnet 92
Sonnet 93
Sonnet 94
Sonnet 95
Sonnet 96
Sonnet 97
Sonnet 98
Sonnet 99
Sonnet 100
Sonnet 101
Sonnet 102
Sonnet 103
Sonnet 104
Sonnet 105
Sonnet 106
Sonnet 107
Sonnet 108
Sonnet 109
Sonnet 110
Sonnet 111
Sonnet 112
Sonnet 113
Sonnet 114
Sonnet 115
Sonnet 116
Sonnet 117
Sonnet 118
Sonnet 119
Sonnet 120
Sonnet 121
Sonnet 122
Sonnet 123
Sonnet 124
Sonnet 125
Sonnet 126
Sonnet 127
Sonnet 128
Sonnet 129
Sonnet 130
Sonnet 131
Sonnet 132
Sonnet 133
Sonnet 134
Sonnet 135
Sonnet 136
Sonnet 137
Sonnet 138
Sonnet 139
Sonnet 140
Sonnet 141
Sonnet 142
Sonnet 143
Sonnet 144
Sonnet 145
Sonnet 146
Sonnet 147
sonnet 148
Sonnet 149
Sonnet 150
Sonnet 151
Sonnet 152
Sonnet 153
Sonnet 154