Beginpagina
Nieuw op de site

Publicaties
Vertalingen online
Recensies

Shakespeare
John Donne
Edmund Spenser
Philip Roth
Henry James

Downloads
Links
Live ondertiteling
Contact
Zoeken


Statistieken/Privacy

Dictaat door Cynthia Ozick

In 2009 verscheen bij Houtekiet/Atlas de verhalenbundel Dictaat van Cynthia Ozick, in een vertaling van Rob Kuitenbrouwer en mijzelf. In het titelverhaal leeft Ozick zich uit in een historische fantasie over de typistes van de bevriende auteurs Henry James en Joseph Conrad, twee van haar literaire helden.
      Het is een scherzo over waan en werkelijkheid, over dubbelgangers en kruisbestuivingen, waarin Ozick de historische werkelijkheid en haar literaire fantasie flink laat caramboleren. Want James en Conrad waren ook in het echt met elkaar bevriend. Maar of hun typistes ooit contact met elkaar hebben gehad, is onbekend – en onwaarschijnlijk. En dat ze ooit hebben beraamd om een passage uit twee verhalen van hun werkgevers te verwisselen, dat is zeker een verzinsel van Ozick.
      Je hoeft echter niet lang te zoeken om te zien hoe ze de inspiratie voor haar verhaal kon putten uit de werkelijkheid.
       Theodora Bosanquet, de typiste van Henry James, publiceerde na diens overlijden een boek over haar werk met hem, Henry James At Work. Dat boekje verscheen in 1924 bij de Hogarth Press van Leonard en Virginia Woolf – die óók een rol spelen in Ozicks verhaal.
      Het is in 2006 heruitgegeven, aangevuld met fragmenten uit het dagboek van Bosanquet. Het kan haast niet anders of deze heruitgave is een inspiratiebron voor Ozicks verhaal geweest: in de inleiding bij het boek haalt de tekstbezorger enkele passages uit Bosanquets dagboek aan die bijna letterlijk in Ozicks verhaal zijn terug te vinden. Misschien vormde het boek zelfs de directe aanleiding om haar verhaal te schrijven: het boek dateert van 2006, het verhaal uit 2008.
      Om van Ozicks verhaal te kunnen genieten hoef je het boek van Bosanquet niet te kennen, maar het is wel interessant om te zien hoe het in het verhaal verwerkt is. Daarom geef ik hier een soort annotatie bij de gepubliceerde vertaling, om aan te stippen waar echo's van Bosanquets relaas doorklinken. Ook wijs ik op enkele kleine vertaalproblemen, historische vrijheden die Ozick zich permitteert, en echo's van het literaire werk van James en Conrad zelf.
      Daarbij heb ik iets meer oog voor James dan voor Conrad. Met de biografie van Conrad ben ik niet zo bekend. Ik weet dus ook niet goed hoe historisch verantwoord het personage Lilian Hallows is. De levendige Theodora Bosanquet lijkt door Ozick naar het leven getekend.

p. 13 Mary Weld, zijn jonge amanuensis,

      Amanuensis is ook het Engelse woord. Ik ken dat woord alleen als 'hulpje van de scheikundeleraar'. Maar vroeger betekende het ook zoiets als schrijver of typiste. In het Engels is die betekenis blijkbaar ook verouderd, want in de inleiding bij het boek van Bosanquet neemt de tekstbezorger de moeite om dat woord ook voor de Engelse lezer nader te verklaren. James-kenner Lyall Powers schrijft:

‘The term “amanuensis” perhaps needs a word of explanation: Bosanquet and James used it almost exclusively to refer to her position. It means “a person who takes dictation or copies something already written” – a kind of handmaid. Bosanquet was careful to explain, many years later, the distinction they observed between the terms amanuensis and secretary.’ (p. 4)

      Genoeg reden dus om amanuensis hier vooral niet (wat mijn eerste impuls was) te vertalen met ‘secretaresse’.

p. 14 Almayer’s Folly, zijn eerste en op dat moment enige roman

      Het is in dit soort gevallen gebruikelijker om in de vertaling de Nederlandse titel aan te houden. Dat had hier gekund, want deze roman is vertaald als Liefde en noodlot op Borneo. Maar behalve dat Conrads roman dan ineens klinkt als een stuiversroman, doet zich hier ook het probleem voor dat van James en Conrad nog meer titels worden genoemd, waaronder van werken die nog niet zijn vertaald. Om consequent te blijven hebben we daarom alle titels in het Engels laten staan.
      Wie nieuwsgierig is: Lord Jim is hier verschenen als Toean Jim (een heel interessante vertaalkeuze), The Nigger of the “Narcissus” als De neger van de Narcissus, en de verhalen ‘The Jolly Corner’ als ‘Het huis op het hoekje’ en ‘The Secret Sharer’ als ‘De geheime deelgenoot’. James’ The Ambassadors is nooit vertaald, en de fictieve titels ‘The Second Self’ en ‘The Secret Stranger’ allicht ook niet.
      ‘Zijn eerste en op dat moment enige roman’ is overigens onjuist. Het hier genoemde bezoek vond volgens het verhaal plaats in 1897, en op dat moment was ook Conrads tweede roman An Outcast of the Islands al verschenen.

p. 15 de Meester

      Wie enigszins bekend is met de literatuur over Henry James, weet dat ‘The Master’ een van zijn vaste bijnamen is. Het is me niet helemaal duidelijk of het ook bij zijn leven al veel werd gebruikt, of alleen postuum. James’ biograaf Leon Edel gaf het laatste deel van zijn meerdelige biografie de titel The Master. Dat het een ingeburgerde bijnaam is, blijkt ook uit de titel van een van de mooiste romans die óver Henry James zijn geschreven, Colm Tóibíns The Master.
      De historische Bosanquet gebruikt de term ‘de Meester’ overigens nergens, dus ik heb de indruk dat het vooral een postume traditie is om James zo te noemen.

p. 15 de totem van een onbekende beschaving waarin James, zo leek het, griezelig was geassimileerd

      Hier moet Ozick Conrads eigen Hart der duisternis in gedachten hebben gehad, over Kurtz die op griezelige wijze assimileert in de onbekende ‘beschaving’ van de Congo.

p. 16 Ik bespeur bij u, enz.

      In dialogen laat Ozick bepaald geen vlotte spreektaal uit James’ mond vloeien. De manier waarop hij spreekt, doet denken aan zijn eigen schrijfstijl, vooral in zijn latere jaren.
      Ook in het echt schijnt James zo geklonken te hebben. Bosanquet is daar vrij openhartig over. Ze schrijft bijvoorbeeld:

When [his play] The Outcry was given by the Stage Society in 1917, it was evident that the actors were embarrased by their lines, for by 1909, when the play was written, the men and women of Henry James could talk only in the manner of their creator. His own speech, assisted by the practice of dictating, had by that time become so inveterately characteristic that his questions to a railway clerk about a ticket or to a fishmonger about a lobster, might easily be recognized as coined in the same mint as his addresses to the Academic Committee of the Royal Society of Literature. (p. 47)

      Een ietwat wereldvreemde breedsprakigheid behoort tot het standaardrepertoire van elke parodie op, of licht-ironische portrettering van James.

p. 19 de wellevendheid van loos gezwatel

In het Engels schrijft Ozick: 'the graciousness of mere twaddle', en daarvan is dit een redelijk accurate vertaling. Het is een vrij bekend citaat van James, uit een van zijn (vele, vele, vele...) brieven. Alleen... schreef James het zelf omgekeerd, hij sprak van 'the mere twaddle of graciousness', ofwel het loze gezwatel der wellevendheid. In betekenis komt het in feite op hetzelfde neer. Of niet? Je vraagt je onwillekeurig toch af: is het een verschrijving van Ozick, of een doelbewuste wijziging? En indien het laatste, wat wil ze daar dan mee zeggen?

p. 23 Een man die zijn eigen naam niet goed genoeg vindt en zichzelf liever Ford Ford noemt, als een stotteraar!

      Ford is inderdaad de boeken in gegaan als Ford Madox Ford, maar hij nam die naam pas aan in 1919 – volgens Wikipedia omdat hij zijn eigen naam Ford Madox Hueffer wat te Duits vond klinken. Dat Jesse dit in 1901 al zegt, klopt dus historisch niet helemaal. Maar het typeert haar wel goed.

p. 25 Hij was deze winter de inleidingen aan het dicteren bij de monumentale verzamelde editie van zijn werk.

      In het Engels: ‘composing the prefaces for his crowning New York Edition’. Die New York Edition is een begrip in de James-literatuur: een verzamelde editie die tegen het eind van James’ leven verscheen en die slecht verkocht, zodat hij in een diepe depressie stortte.
      Het waren niet de volledige werken: James vond sommige oudere romasn onder de maat. Zo viel de toch heel gave vroege roman Washington Square bijvoorbeeld buiten de boot. Alles wat James wel wilde heruitgeven, herschreef hij vervolgens grondig. Daarbij veranderde hij nooit iets aan de verhaalloop, maar des te meer aan de stijl van het werk. Van meer dan de helft van zijn werk bestaan dan ook eigenlijk twee versies: die van de eerste uitgave, en die van de latere New York Edition. De verschillen kunnen groot zijn, omdat James’ stijl in de loop der jaren was veranderd – tegelijkertijd precieuzer en preciezer was geworden.
      Er wordt wel gekscherend gezegd dat je zijn werk kunt indelen in drie perioden, als waren het regeerperioden van opeenvolgende Engelse vorsten: James I, James II en The Old Pretender. Zijn late schrijfstijl is fascinerend, en soms een tikje ondoorgrondelijk. Die stijl past echter niet altijd even goed bij de werken uit zijn vroege jaren. In de late versie gaat dan iets van de frisheid van het origineel verloren. Het laatste woord blijkt niet altijd het beste, en steeds meer critici grijpen dan ook terug op de tekstversie van de eerste edities. Zo houdt David Lodge in zijn Penguin-editie van Daisy Miller een vurig pleidooi voor de vroege tekstversie van die novelle, en is voor de Library of America besloten de verzamelde verhalen uit te geven in de tekstversie van de eerste publicatie.
      Behalve dat hij zijn werk herschreef, voegde James in de NYE ook uitgebreide voorwoorden of inleidingen toe, waarin hij van elk verhaal vertelt hoe hij op het idee is gekomen en waarom hij het deze specifieke uitwerking heeft gegeven. Door de manier waarop hij hierin filosofeert over het hoe en waarom van fictie schrijven is James ook bekend komen te staan als grondlegger of voorloper van de belangrijkste literair-kritische stroming in de Engelstalige wereld, het New Criticism. Een vooraanstaand exponent van die stroming, R.P. Blackmur, heeft die voorwoorden apart gebundeld en uitgegeven,en lange tijd vormden ze een soort bijbel voor letterkundigen in het Engels taalgebied.
      (Zelf vind ik ze eigenlijk niet om door te komen...)

p. 31 alsof ze hem een obscuur letsel wilden toebrengen

      In het Engels: ‘as if they might do him some obscure harm’. Misschien is obscuur letsel raar Nederlands, en schiet de vertaling een beetje door in een poging een subtiel grapje van Ozick vast te houden. Het grapje zal ook iedereen ontgaan die niet enigszins bekend is met de biografie... niet van Conrad... maar van Henry James!
      Die had in zijn tienerjaren tijdens het blussen van een brand een, zoals hij het in zijn autobiografie noemde, ‘obscure hurt’ opgelopen. Dankzij die nooit nader benoemde blessure overleefde hij de Amerikaanse burgeroorlog, omdat hij werd afgekeurd voor militaire dienst. Maar de kwaal bleef hem ook zijn hele verdere leven parten spelen, zonder dat uit brieven of andere documenten ooit duidelijk wordt wat voor kwaal het nu precies was. Er is door biografen dan ook veel over gespeculeerd. Meestal denkt men aan rugproblemen, soms aan een brandwond, en Colm Tóibín suggereert in zijn roman The Master dat het vooral psychosomatisch was: een manier om zonder gezichtsverlies de militaire dienst te ontduiken.
      Maar omdat James nooit een relatie, en misschien zelfs nooit enige seksuele betrekkingen heeft gehad, is ook weleens gesuggereerd dat dit ‘obscure hurt’ betekende dat James impotent was geworden. Hemingway zou daarop een schertsende toespeling maken in The Sun Also Rises, en behalve een mafkees die er op internet een uitgebreide en jolige theorie over ophangt, zijn er ook serieuze critici geweest die de suggestie ernstig namen. Zie onder meer dit stuk van biograaf Leon Edel.
      Dit is voor het verhaal natuurlijk niet relevant, maar wel klinkt de frase ‘obscure hurt’ volgens mij door in Ozicks ‘obscure harm’. Zo bezien schrijft ze Conrad hier in feite een vage castratieangst toe...
      En dat is meer dan alleen een terloops grapje. Dit verwisselen van biografische gegevens (een soort parodie op Freudiaanse overdracht?) illustreert een van de belangrijkste thema’s van het verhaal, ja, van alle vier de verhalen in de bundel: tegenpolen die met elkaar van plaats ruilen, spiegeling, persoonsverwisseling en identiteitsverwarring. Mensen die in elkaar willen overgaan of juist niet, die de grenzen van elkaars identiteit aftasten. Henry James tegenover Conrad, juffrouw Bosanquet tegenover juffrouw Hallows.
      Een thema dat ook Conrad en James in het echt sterk bezighield, getuige de dubbelgangersverhalen die Ozick in dit verhaal aanhaalt: ‘The Jolly Corner’ en ‘The Secret Sharer’.

p. 32 Een van de tekortkomingen van mijn vorige amanuenses – en bij lange na niet de énige tekortkoming – was hun klaarblijkelijke onbegrip voor wat ik probeerde uit te drukken.

      In het Engels: ‘Among the faults of my previous amanuenses – not by any means the only fault – was their apparent lack of comprehension of what I was driving at.’
      Hier blijkt duidelijk dat Ozick de heruitgave van Henry James At Work met de dagboekfragmenten heeft gelezen, want in de inleiding daarvan wordt het volgende dagboekfragment aangehaald:

‘At the close of the morning Mr James said “... I have great pleasure in saying I’m extremely satisfied, Miss Bosanquet. You seem to have picked things up so quickly and intelligently.” I said I found it so interesting that it was only natural to do my best – and he said “among the faults of my previous amanuenses – not by any means the only fault – was their apparent lack of comprehension of what I was driving at” – so we parted quite pleased with each other.’ (p. 13)

p. 33 Ik haal er ’s ochtends vaak een doughnut voor meneer James.

      Een lastige vertaalkeuze: in het Engels gaat het niet om een doughnut maar om een ‘cruller’. Dat blijkt een typisch Amerikaanse lekkernij te zijn die we in Nederland niet kennen. Ik weet overigens niet of crullers in 1910 in Londen te krijgen waren.
      Het leek ons een opzettelijke verwijzing naar James’ Amerikaanse afkomst – dat hij nog een voorliefde heeft voor patisserie uit zijn moederland. We hebben er daarom maar doughnuts van gemaakt, waarvan we ook niet weten of die in 1910 in Londen te koop waren, maar die in ieder geval voor de Nederlandse lezer meteen herkenbaar zijn als typisch Amerikaans.

p. 36 Een paar goede vriendinnen zeggen Teddie

      In het echt had Theodora Bosanquet als roepnaam juist Dora, niet Teddie.

p. 36 soms, als meneer James en ik uren aan een stuk hebben gewerkt, legt hij zwijgend een stukje chocolade bij mijn hand, haalt het zelfs voor me uit het zilverpapier

      Dit komt weer bijna letterlijk uit Bosanquets dagboek, van 26 oktober 1907: James ‘produced chocolate soon after 10 and laid pieces beside me after carefully pulling off the silver paper’. (p. 12)

p. 41 Hij pakte zijn aansteker en stak hem in zijn zak.

      In het Engels is sprake van een flint lighter. Een aansteker met een vuursteentje.
      Als ik deze site mag geloven, waren er pas rond 1908 dergelijke aanstekers die klein genoeg waren om in je zak te stoppen. Dan beschikt Conrad hier dus over een behoorlijk nieuw (en waarschijnlijk duur) gadget. Ik weet niet zeker of Ozick hem daarmee wil typeren als iemand die graag beschikte over de laatste snufjes, of dat ze zich gewoon niet zo bewust is van de geschiedenis van aanstekers door de eeuwen heen.

p. 42 mevrouw Patrick Campbell

      Mevrouw Patrick Campbell is geen travestiet, maar een actrice die was getrouwd met Patrick Campbell, en die zich na de dood van haar man, en zelfs na een nieuw huwelijk, altijd Mrs Patrick Campbell bleef noemen.
      Lady Macbeth was wel een rol die ze speelde, maar of ze dat ook rond 1910 heeft gedaan weet ik niet. Op Wikipedia wordt alleen vermeld dat ze van 1895-1898 in Macbeth speelde.

p. 45 kleine stille ronde vijver

      Zo’n opeenvolging van drie bijvoeglijke naamwoorden zonder komma ertussen (en zelfs een opeenstapeling van nog meer bijvoeglijke naamwoorden) is een typisch kenmerk van – vooral de late – stijl van James. Een stijlkenmerk dat Ozick hier en elders in het verhaal zelf ook heeft ingezet, als bewuste verwijzing of stille hommage.

p. 54 een dromerige Afrodite

      Juffrouw Stephen kennen wij beter als Virginia Woolf. Haar vader Leslie Stephen was inderdaad een geducht criticus.
      De voornaam Virginia wordt in het verhaal nergens genoemd, maar als Bosanquet gedachteloos iets prevelt wat Lilian Hallows verkeerd verstaat als Genève, is dat dus Ginny, afkorting van Virginia.
      Zoals Ozick zelf aan het eind van haar verhaal al toegeeft, kan dit bezoek niet in deze vorm hebben plaatsgevonden. Maar Woolf heeft James wel degelijk gekend.
      De beschrijving van de dromerige Afrodite doet sterk denken aan dit beroemde portret van Woolf.
      Geheel terzijde: wie Virginia Woolf wil horen spreken, kijke hier of hier.

p. 54 schreef juffrouw Stephen in haar dagboek

      Ik heb de dagboeken van Virginia Woolf er nog niet op nageplozen, dus ik weet niet of deze passage historisch of verzonnen is. Ik gok het laatste.
      Wel vond ik op internet dit vileine portret van James, in een brief van Virgina Woolf uit 1908:

“Well then, we went and had tea with Henry James today[...]and Henry James fixed me with his staring blank eye-it is like a childs marble-and said “My dear Virginia, they tell me- they tell me - they tell me-that you- as indeed being your fathers daughter nay your grandfathers grandchild – the descendant I may say of a century - of a century – of quill pens and ink - ink - ink - pots, yes, yes, yes, they tell me – ahm m m-that you, that you, that you write in short.” This went on in the public street, while we all waited, as farmers wait for the hen to lay the egg - do they?- nervous, polite, and now on this foot now on that. I felt like a condemned person, who sees the knife drop and stick and drop again. Never did any woman hate ‘writing’ as much as I do. But when I am old and famous I shall discourse like Henry James. We had to stop periodically to let him shake himself free of the thing; he made phrases over the bread and butter ‘rude and rapid’ it was, and told us all the scandal of Rye. “Mr Jones has eloped, I regret to say, to Tasmania; leaving 12 little Jones, and a possible 13th to Mrs Jones; most regrettable, most unfortunate, and yet wholly an action to which one has no private key of ones own so to speak.” (Nicolson, Nigel and Joanne Trautmann eds. The Letters of Virginia Woolf. Volume One 1888-1912. New York and London, Harcourt Brace Jovanovich. p. 306)

Overigens is van Woolf wel bekend dat ze minstens één lesbische relatie heeft gehad, met Victoria Sackville-West. Over de seksuele geaardheid van Theodora Bosanquet is niets bekend. Ze is nooit getrouwd en leefde in de jaren vijftig 'op hetzelfde adres' als lady Margaret Rhondda, een bevriende feministe en uitgeefster van de periodiek Time and Tide.

p. 55 een straatarme jood

      Leonard Woolf, met wie Virginia Stephen inderdaad getrouwd is. De frase ‘penniless Jew’ is in dit verband beroemd, en is opmerkelijk genoeg afkomstig van Virginia Woolf zelf: zo beschreef ze haar aanstaande bruidegom in een brief aan een vriendin.

p. 57 tohoe vavohoe, vormeloze chaos, woestenij en ledigheid

      In het Engels: ‘tohu vavohu, welter and waste, formlessness and void’. Genesis 1:2. Eerst het Hebreeuws, en dan twee mogelijke vertalingen. Het is misschien interessant om op te merken dat het lyrische ‘welter and waste’ uit een nieuwe Bijbelvertaling van Robert Alter komt, die (zo blijkt op internet) nogal omstreden is. Formlessness and void is een parafrase van de meest gebruikelijke Engelse vertaling: without form and void. Woest en ledig, in de oude protestante vertalingen.

p. 59 The Jolly Corner

      Dit verhaal van James verscheen voor het eerst in 1908, terwijl deze gebeurtenissen zich rond 1910 moeten afspelen. Ook in dit opzicht veroorlooft Ozick zich dus vrijheden met de chronologie. Maar dat doet ze niet zomaar. Ook het feit dat dit verhaal over dubbelgangers en identiteitscrises zich afspeelt in 1910 is een grapje. Het verwijst naar een beroemde zinsnede van Virginia Woolf in haar essay “Mr Bennett and Mrs Brown”: ‘On or about December 1910, human character changed.’ (Ook vaak verkeerd geciteerd als ‘human nature changed’.)
      Dat die frase in het het cultureel debat zijn sporen heeft nagelaten, mag blijken uit het feit dat in 2010 een symposium wordt gehouden ter ere van het feit dat 1910 honderd jaar geleden is: ‘Entitled “The 1910 Centenary Conference”, this event is based around Virginia Woolf’s famous and controversial statement’.

Bronnen

Theodora Bosanquet, Henry James At Work, edited with notes and introduction by Lyall H. Powers, University of Michigan Press, Ann Arbor, 2006


Amsterdam, oktober 2009



portret Cynthia Ozick

Vertalingen:
In boekvorm

Online:
Joseph Conrad
Henry James

Poëzie:
Robert Burns
W.B. Yeats

Shakespeare
John Donne
Edmund Spenser