Beginpagina
Nieuw op de site

Publicaties
Vertalingen online
Recensies

Shakespeare
John Donne
Edmund Spenser
Philip Roth
Henry James

Downloads
Links
Live ondertiteling
Contact
Zoeken


Statistieken/Privacy
Henry James, The Middle Years (1893, 1908)
Hier staat het origineel.
Hyperlinks verwijzen naar aantekeningen bij de tekst.
© Nederlandse vertaling Frank Lekens, 2008, 2011, herzien juni 2014


De middelste jaren



I

Het was een zachte, heldere dag in april en de arme Dencombe, die in de blijde veronderstelling verkeerde dat hij weer op krachten was, stond in de tuin van het hotel – met een zorgvuldigheid waaruit toch nog een zekere vermoeidheid sprak – te overwegen welke eenvoudige wandeling hem het meest aantrok. Hij hield van de sfeer van het zuiden voor zover je die in het noorden kunt krijgen, hij hield van de zanderige rotsen en de groepjes naaldbomen, hij hield zelfs van de kleurloze zee. ‘Kuuroord Bournemouth’ had hem een holle reclameleus geleken, maar nu was hij al blij met de eenvoudigste voorzieningen. De gemoedelijke plattelandspostbode had hem in de tuin een pakketje overhandigd, dat hij nu meenam op zijn schuifelgang van het hotel rechtsaf naar een bankje waar hij al vaker had gezeten, in een beschutte uitsparing in de rotswand. Dat bankje bood uitzicht op het zuiden, op de kleurige rotswand van een eiland voor de kust, en werd uit de wind gehouden door de glooiende helling bovenaan de klif.
   Hij was behoorlijk afgemat toen hij de bank bereikte, en dat stelde hem even teleur. Hij was beter, natuurlijk – maar beter dan wt, per slot van rekening? Nooit zou hij nog, zoals op een of twee grootse momenten in het verleden, beter zijn dan zichzelf. Het leven was niet langer een onuitputtelijke voorraad, van zijn portie resteerde slechts een klein glaasje dat als een thermometer van maatstreepjes was voorzien door de apotheker. Hij zat daar en keek naar de zee, die een en al schittering en oppervlakte leek, lang zo diep niet als de menselijke ziel. De afgrond van de menselijke illusie, dt was de echte, peilloze diepte.
   Het met de boekenpost gekomen pakketje liet hij ongeopend op schoot liggen, want nu hem al zoveel geneugten waren ontvallen – zijn ziekte deed hem zijn leeftijd voelen – genoot hij simpelweg van de wetenschap dat het daar lag, ondanks het besef dat hij nooit meer zo diep als in het begin van zijn carrire genot zou smaken om zichzelf ‘in druk’ te zien. Daarvoor was Dencombe, die enige faam genoot, inmiddels te vaak in druk geweest en wist hij al te goed hoe hij eruitzag.
   Na een poosje verbond zijn getalm zich vagelijk met een groepje mensen, twee dames en een jongeman, die hij beneden langzaam over het strand zag lopen, zwijgend zo te zien, en niet erg saamhorig. De man was verdiept in een boek en bleef af en toe staan uit verrukking over dit werk dat, zoals Dencombe zelfs van deze afstand kon zien, een verleidelijk rood omslag had. Zijn metgezellen liepen dan eerst even door en bleven vervolgens wachten tot hij ze had ingehaald, waarbij ze met hun parasol in het zand prikten en om zich heen keken naar de zee en de lucht, duidelijk genietend van het mooie weer. Nog duidelijker was dat de lezende jongeman daar geen oog voor had: de manier waarop hij treuzelend en vol heilige overtuiging in zijn lectuur opging, wekte de afgunst van onze toeschouwer, wiens omgang met literatuur een dergelijke onbevangenheid allang verloren had.
   Een van de vrouwen was volumineus en op leeftijd, de ander had de spichtigheid van relatieve jeugd en een mogelijk lagere maatschappelijke positie. De grote dame voerde Dencombes gedachten terug naar het tijdperk van de hoepelrok: ze droeg een paddenstoelvormige hoed met een blauwe voile en wekte met haar opdringerige omvang de indruk zich vast te klampen aan een verdwenen modebeeld, of zelfs aan een verloren zaak. De ander haalde van onder haar jas een klapstoeltje tevoorschijn dat ze openvouwde en waarop de grote dame plaatsnam. Dit tafereel, en iets in de bewegingen van beide dames, typeerde de artiesten – dit was voor Dencombe een toneelstukje ndash; als rijke matrone en afhankelijke huisgenote. Wat was een romanschrijver van naam immers waard als hij tussen zulke figuren geen verbanden kon leggen? Zoals de fraaie theorie dat de jongeman de zoon van de rijke matrone was, voor wie de afhankelijke huisgenote, dochter van een geestelijke of een legerofficier, een heimelijke liefde had opgevat. Bleek dat niet uit de manier waarop ze zich achter haar beschermvrouw opstelde om een blik op hem te werpen – waar hij was blijven staan omdat zijn moeder toch zat uit te rusten? Zijn boek was een roman met een schreeuwerig omslag, dus blind voor deze romance in het leven verloor hij zich in die van de uitleenbibliotheek. Hij liep werktuiglijk naar een zachtere plek in het zand en plofte daar neer om rustig zijn hoofdstuk uit te lezen. Ontmoedigd door zijn desinteresse dwaalde de bedeesde huisgenote met hangend hoofd in de andere richting over het strand, terwijl de buitensporig dikke dame die naar de golven zat te kijken een vage gelijkenis vertoonde met een defecte vliegmachine.
   Toen het drama begon te verslappen, schoot Dencombe te binnen dat hij nog een ander tijdverdrijf had. Zijn uitgever was zelden zo vlot, maar wat hij nu uitpakte was toch echt zijn ‘nieuwste’, mogelijk ook zijn laatste. Het omslag van De middelste jaren was zo opzichtig als hij zich kon wensen en uit de verse pagina’s steeg een geur van heiligheid op. Maar verder ging hij nog even niet, hij ervoer een merkwaardige vervreemding: hij was vergeten waar zijn boek over ging. Had de aanval van zijn oude kwaal, die hij hier in Bournemouth vergeefs hoopte af te slaan, de herinnering uitgewist aan wat eraan vooraf was gegaan? Hij had de correcties van de drukproef voltooid voordat hij uit Londen was vertrokken, maar de daaropvolgende twee weken in bed hadden een spons over de kleuren gehaald. Hij kon zich niet n zin meer voor de geest halen, kon niet benieuwd of zelfverzekerd naar een specifieke pagina bladeren. Zijn eens zo vurig beleden thema was hij vergeten, er resteerde niets dan de vaagste vermoedens. Hij kreunde zacht toen hij de kille lucht van die duistere leegte inademde, zo hopeloos leek een sinister proces hiermee voorgoed bezegeld. Tranen welden op in zijn zachtmoedige ogen; hij had iets kostbaars verloren. Dat was de pijn die de laatste jaren het meest had gestoken – de gewaarwording van wegebbende tijd, slinkende mogelijkheden. En nu bekroop hem het gevoel, niet zozeer dat zijn laatste kans hem ontglipte, als wel dat die kans hem reeds ontglipt ws. Hij had alles gedaan wat hij ooit zou kunnen doen, maar had toch niet kunnen doen wat hij had gewild. Dat was de kwelling – dat zijn schrijverschap praktisch ten einde was: alsof een hand zich om zijn keel sloot.
   Hij stond zenuwachtig op – een dier in plotse doodsnood – plofte verzwakt weer neer en opende zenuwachtig zijn boek. Het was maar n band. Hij gaf de voorkeur aan romans in n deel en streefde naar een uitgekiende bondigheid. Hij begon te lezen en dat bracht hem geleidelijk tot bedaren, stelde hem gerust. Nu kwam alles weer terug, en het kwam overweldigend, kwam in al zijn verheven pracht en schittering. Hij las zijn eigen proza, sloeg zijn eigen pagina’s om en voelde daar, met de voorjaarszon op zijn pagina’s, een bijzondere en intense emotie opwellen. Zijn schrijverschap was ten einde, ongetwijfeld, maar eindigde dan toch maar mooi hermee.
   Op zijn ziekbed was hij vergeten wat hij het afgelopen jaar had volbracht; maar hij was vooral vergeten hoe buitengewoon goed het was. Hij dook weer in zijn verhaal en werd als door de hand van een sirene de diepte in getrokken, de schemerige onderwereld van de fictie in, het grote glazen aquarium van de kunst waar vreemde gedaanten geluidloos rondzweven. Hij herkende zijn drijfveer weer en liet zich meeslepen door zijn talent. Waarschijnlijk had dat talent, voor zover hij het bezat, zich nooit eerder zo schitterend gemanifesteerd. De moeilijkheden waren nog zichtbaar, maar wat ook zichtbaar was (voor hem, en waarschijnlijk – helaas! – voor niemand anders) was de kunst waarmee de meeste overwonnen waren.
   En in zijn onverwachte genot daarvan meende hij ook een kans op respijt te zien. Dat talent kon toch niet helemaal zijn uitgeput – daar moest nog leven in zitten, dat moest nog even dienst kunnen doen. Het was hem niet komen aanwaaien, het was met vallen en opstaan ontwikkeld. Het had tijd gekost, was langzaam gerijpt; hij had ervoor gestreden en geleden, ontelbare offers gebracht – en nu het werkelijk gerijpt was zou het niets meer kunnen voortbrengen, totaal verslagen zijn? Het deed Dencombe eindeloos veel genoegen om sterker dan ooit tevoren te merken hoezeer ijver vincit omnia. Wat hij met deze korte roman had bereikt, was eigenlijk meer dan hij bewust van plan was geweest: hij had als het ware zijn talent gezaaid en zijn ambacht het werk laten doen, waarna het vanzelf was gegroeid en zo prachtig tot bloei gekomen. Maar al was het succes onmiskenbaar, het proces was pijnlijk geweest. Wat hij vandaag des te scherper zag, en ervoer als een spijker die in zijn lijf werd geslagen, was dat zijn gave pas nu, op het allerlaatst, tot wasdom was gekomen. Zijn ontwikkeling was abnormaal langzaam geweest, van een welhaast groteske geleidelijkheid. Het leven had hem afgeremd en opgehouden, hij had lange tijd in het duister getast. Hij had een te groot deel van zijn leven nodig gehad om te weinig werk voort te brengen. Het werk was wel gekomen, maar pas n de rest. In dat tempo was n leven te kort – net lang genoeg om materiaal te verzamelen; om dat materiaal vruchtbaar te maken, te benutten, had je een tweede leven nodig, een verlenging. Het was die verlenging waar Dencombe nu naar haakte. Terwijl hij de laatste bladzijden van zijn boek omsloeg, mompelde hij: ‘Och, kon je het maar overdoen, kreeg je maar een tweede kans!’
   De drie personen die zijn aandacht eerder naar het strand hadden getrokken, waren daar verdwenen en doken nu weer op. Ze kwamen aangelopen over een in de rotsen uitgehouwen, goed begaanbaar pad dat naar de top van de klif voerde. Dencombes bank stond halverwege de klim, in een windstille uitsparing in de helling, en de grote vrouw, een kleurrijke kolossale verschijning met felle zwarte ogen en gemoedelijke rode wangen, besloot hier even uit te rusten. Ze droeg vuile handschoenen en enorme diamanten oorbellen; op het eerste gezicht leek ze nogal ordinair, maar die indruk werd meteen ontkracht door haar verfrissend nonchalante toon. Terwijl haar metgezellen bleven staan, spreidde zij haar rokken over het uiteinde van Dencombes bank.
   De jongeman droeg een goudkleurig brilletje, en daardoor staarde hij, met zijn vinger nog tussen de bladzijden van zijn eigen rode boek geklemd, naar het precies even rode boek in de schoot van de man op de bank. Na een ogenblik merkte Dencombe dat hem een gelijkenis had getroffen: hij had de vergulde letters op het donkerrode omslag herkend, was zelf ook De middelste jaren aan het lezen en zag nu dat iemand anders hem daarin bijbeende. De vreemdeling was verrast, en mogelijk zelfs gepikeerd dat hij niet als enige op een van de allereerste exemplaren was getrakteerd. De blikken van de twee lezers kruisten elkaar even, en Dencombe maakte zich vrolijk over de uitdrukking in de ogen van zijn rivaal – de ogen, mocht hij zelfs veronderstellen, van zijn bewonderaar. Er sprak enige wrevel uit, ze leken te zeggen: ‘Verdorie, hft hij het al? Dat is natuurlijk zo’n bruut van een recensent!’
   Terwijl Dencombe zijn boek uit het zicht moffelde, verbrak de weelderige matrone haar zwijgen: ‘Ik voel nu al dat de lucht me hier goed doet!’
   ‘Dat kan ik anders niet zeggen,’ antwoordde de spichtige dame. ‘Ik voel me niet gesterkt.’
   ‘Ik heb vreselijke honger. Voor hoe laat had je het middagmaal besteld?’ vervolgde haar beschermvrouw.
   De jongedame schoof de verantwoordelijkheid door. ‘Dat doet dokter Hugh altijd.’
   ‘Ik heb vandaag niets besteld – ik zet u op dieet,’ zei hun kameraad.
   ‘Dan ga ik terug om te slapen. Qui dort dine!’
   ‘Kan ik u aan juffrouw Vernham toevertrouwen?’ vroeg dokter Hugh de oudere vrouw.
   ‘Zoals ik vertrouw?’ was haar schalkse wedervraag.
   ‘Niet helemaal!’ waagde juffrouw Vernham, met neergeslagen blik. ‘U moet op zijn minst mee teruglopen,’ voegde ze eraan toe, terwijl de vrouw die hen blijkbaar in dienst had weer verder omhoog klom. Ze was praktisch buiten gehoorsafstand, maar toch dempte juffrouw Vernham haar stem tot een zelfs voor Dencombe moeilijk hoorbaar niveau toen ze de jongeman toefluisterde: ‘Ik geloof niet dat u beseft wat u de gravin allemaal verschuldigd bent!’
   Verstrooid richtte dokter Hugh zijn vergulde bril op haar. ‘Is dat de indruk die ik bij u wek? Juist ja.’
   ‘Ze is ontzettend goed voor ons,’ vervolgde juffrouw Vernham, door zijn onbeweeglijkheid gedwongen te blijven staan terwijl ze dit vertrouwelijke gesprek voerden. Dencombes antenne voor nuances zou weinig voorstellen als hij niet had begrepen dat die onbeweeglijkheid te maken had met de vreemde invloed van de zwijgende zieke oude man in de grote tweed mantel. Dat scheen ook tot juffrouw Vernham door te dringen, want ze zei: ‘Als u hier nog verder wilt zonnebaden, kunt u ook terugkomen nadat u ons naar huis hebt gebracht.’
   Hierop aarzelde dokter Hugh, en hoewel Dencombe eigenlijk wilde doen of hij zich niet van hun aanwezigheid bewust was, wierp hij nu toch een heimelijke blik op hem. Zo zag hij dat hij vreemd werd aangestaard door de glazige ogen van de jongedame, die hem deed denken aan een figuur – hij wist niet precies welke – in een toneelstuk of een roman, een boosaardige gouvernante of een tragische ouwe vrijster. Ze leek hem de maat te nemen, hem uit te dagen en met onpersoonlijke wrok te zeggen: ‘Wat gaat u dit aan?’
   Juist op dat moment bereikte hun van boven de joviale stem van de gravin: ‘Kom mee, lammetjes; wel bij je oude bergre blijven.’ Juffrouw Vernham draaide zich terstond om en liep het pad op, terwijl dokter Hugh, na nog een zwijgende smeekbede aan Dencombe en een korte maar duidelijke aarzeling, zijn boek op de bank legde als om zijn plaats te reserveren – of zelfs als onderpand voor zijn gegarandeerde terugkeer – en moeiteloos met grote sprongen de moeilijker weg over de rotsen nam.
   Het is een even onschuldige als onuitputtelijke bron van genot: het observeren en analyseren van het leven om je heen. Terwijl Dencombe in de milde voorjaarslucht bleef luieren, verheugde hij zich op het vooruitzicht van een kijkje in het hoofd van een intelligente jongeman. Hij staarde naar het boek op het uiteinde van de bank, maar wilde het voor geen goud aanraken. Het kwam beter in zijn kraam te pas een theorie te koesteren die niet meteen werd ontkracht. Hij voelde zich alweer van zijn neerslachtigheid genezen, hij had naar beproefd recept zijn hoofd uit het raam gestoken. Een passerende gravin bood meer dan voldoende stof tot fantaseren wanneer zij, zoals de oudste van de twee zojuist vertrokken dames, een schouwspel bood als de reuzin op een kermis. Het waren vooral de vergezichten die angst inboezemden; concentratie op het hier en nu was juist, in tegenstelling tot wat soms werd beweerd, een verademing, een remedie. Dokter Hugh moest wel een recensent zijn, die boeken nog voor publicatie kreeg toegestuurd door uitgevers of bladen.
   Binnen een kwartier verscheen hij weer, zichtbaar opgelucht dat hij Dencombe nog aantrof, met witte tanden die blikkerden in een bedremmelde maar hartelijke glimlach. Hij was zichtbaar teleurgesteld dat Dencombes exemplaar van het boek uit het zicht was verdwenen: daar ging zijn excuus om de zwijgende heer aan te spreken. Maar het kon hem niet weerhouden, hij hield zijn eigen boek omhoog en zei smekend: ‘Als u er ooit over te spreken komt, zeg dan alstublieft dat dit het mooiste is wat hij tot nu toe heeft geschreven!’
   Dencombe antwoordde met een lach: dat ‘tot nu toe’ kwam hem zo vermakelijk voor, schetste zo’n weids vergezicht voor de toekomst. En nog mooier: de jongeman hield hm voor een recensent. Hij trok De middelste jaren tevoorschijn van onder zijn mantel, maar probeerde instinctief niet te laten merken dat het zijn geesteskind was – mede omdat het altijd dwaas is zich over zoiets op de borst te kloppen.
   ‘Is dat wat u zelf gaat zeggen?’ vroeg hij zijn gesprekspartner.
   ‘Ik denk niet dat ik erover zal schrijven. Dat doe ik eigenlijk nooit – ik geniet in stilte. Maar het is vreselijk goed.’
   Dencombe verkeerde in tweestrijd. Had de jongeman kritiek geleverd, dan had hij zich terstond bekendgemaakt. Maar het kon geen kwaad zijn drang tot loftuitingen nog wat aan te wakkeren. Hij deed dat zo succesvol dat zijn nieuwe kennis naast hem op de bank binnen de kortste keren opbiechtte dat deze auteur de enige was wiens werk hij twee keer kon lezen. Hij was de vorige dag uit Londen gekomen, waar een bevriende journalist hem zijn exemplaar van het nieuwste boek had geleend, het boek dat naar de burelen van het dagblad was gestuurd en reeds het onderwerp geweest van een korte ‘bespreking’, aan het schrijven waarvan, zo werd daar beweerd – maar je moest rekening houden met enige ‘snoeverij’ – maar liefst vijftien hele minuten waren besteed. Hij liet merken dat hij zich schaamde voor zijn vriend en voor diens onbehoorlijke omgang met een werk dat diepere beschouwing vereiste – n beloonde.
   En met zijn frisse enthousiasme en zijn zo ongebruikelijke drang om daar uiting aan te geven was hij voor de arme Dencombe een opmerkelijke, verrukkelijke verschijning. Het lot had de vermoeide literator in contact gebracht met de grootste bewonderaar waarop hij in de jongere generatie waarschijnlijk kon bogen. Die bewonderaar was werkelijk een raadsel, zo zelden treft men een energieke jonge arts – hij zag eruit als een Duitse fysioloog – met een passie voor literatuur. Het was stom toeval, maar aangenamer dan het toeval meestal is – zodat Dencombe, tegelijkertijd verrukt en in stomme verbazing, hem een half uur lang liet praten zonder zelf iets te zeggen. Dat ook hij al een exemplaar van De middelste jaren bezat, verklaarde hij als een aardige attentie van de uitgever, een vriend die hij wist dat hij voor zijn gezondheid in Bournemouth zat. Hij verhulde niet dat hij ziek was geweest, want dat zou dokter Hugh toch wel door hebben; hij dacht dat hij misschien wel medisch advies kon vragen aan deze man, wiens vurige literaire enthousiasme vermoedelijk gepaard ging met grote kennis van de gangbare behandelingen. Het zou wellicht moeilijk zijn om als patint ontzag te hebben voor een arts die zoveel ontzag voor hm had, maar hij genoot van deze moderne jonge dweper, en voelde ineens pijnlijk sterk dat er nog steeds werk te doen was in een wereld die zulke vreemde combinaties van eigenschappen produceerde. Het was niet waar, wat hij zichzelf had willen aanpraten, om afstand te kunnen doen van de wereld: dat alle combinaties waren uitgeput. Dat waren ze bij lange na niet, de mogelijkheden waren oneindig: uitgeput was alleen de armzalige kunstenaar.
   Dokter Hugh, een enthousiast fysioloog, was vervuld van de geest des tijds – kortom, hij had zijn studie onlangs voltooid. Maar hij had een eigenzinnige en brede smaak, en sprak als iemand die zich liever aan de schone letteren zou hebben gewijd. Hij had graag fraaie volzinnen willen wrochten, maar de natuur had hem daarvoor het talent niet gegund. Enkele van de fraaiste in De middelste jaren hadden hem bijzonder getroffen, en hij was zo vrij ze aan Dencombe voor te lezen om zijn betoog kracht bij te zetten. Hij maakte daar in de zachte lentelucht diepe indruk op zijn gesprekspartner, hij leek wel speciaal gezonden om hem te verkwikken, zoals hij met grote onbevangenheid beschreef hoe hij pas onlangs had kennisgemaakt met en meteen verliefd was geworden op de enige man die vlees op de botten bracht van een uitgehongerde, op waanideen terende kunst. Hij had die auteur nog geen brief geschreven – werd weerhouden door een zeker ontzag. Dencombe was blijer dan ooit dat hij zich nooit had laten fotograferen. Het enthousiasme van dokter Hugh beloofde veel goeds voor toekomstige gesprekken, al hing dat ongetwijfeld ook af van de vrijheid die de gravin hem zou gunnen.
   Hij kreeg onmiddellijk te horen wat voor type gravin het betrof, en wat de band was die het curieuze drietal met elkaar verbond. De omvangrijke dame, Engels van geboorte en dochter van een gevierd bariton, van wie ze wel de smaak maar niet het talent had gerfd, was de weduwe van een Franse edelman en beschikte over wat nog resteerde van de vrucht van haar vaders verdiensten, het aanzienlijke fortuin dat haar bruidsschat was geweest. Juffrouw Vernham, een vreemd type maar een begenadigd pianiste, was door haar gengageerd. De gravin was gul, eigengereid en excentriek, en reisde rond met haar musicus en haar medicus. Ze was onnozel en onstuimig, maar bij vlagen ook welhaast onweerstaanbaar. Dencombe zag haar model zitten voor het portret dat dokter Hugh van haar schetste, en vormde zich zo ook een beeld van diens relatie met haar. Deze jonge vriend was dan wel een beoefenaar van de nieuwe psychologie maar raakte ook zelf gemakkelijk gehypnotiseerd. Uit zijn buitengewone mededeelzaamheid bleek wel hoezeer hij in de ban van Dencombe was. Die kon dus met hem doen wat hij wilde zonder zich als Dencombe bekend te maken.
   Toen de gravin op reis in Zwitserland ziek was geworden, had ze de dokter ontmoet in een hotel, en omdat hij haar beviel had ze hem, met haar dwingende vrijgevigheid, een aanbod gedaan dat wel indruk moest maken op een arts zonder patinten wiens financile middelen door zijn studie waren uitgeput. Als hij de keus had zou hij zijn tijd liever anders doorbrengen, maar het was wel tijd die snel voorbijging, en intussen was ze buitengewoon goed voor hem. Ze had constant aandacht nodig, maar het was onmogelijk om haar niet aardig te vinden. Hij vertelde enkele dingen over zijn vreemde patinte, die ‘echt een typetje was’ en niet alleen gebukt ging onder ziekelijk onstuimige en richtingloze impulsen, maar door haar zwaarlijvigheid ook ernstige lichamelijke klachten had.
   Toen bracht hij het gesprek terug op zijn geliefde romancier, en was zo aardig te verklaren dat diens werk in feite dichterlijker was dan dat van veel lieden die zich met pozie inlaten. Hij zei het met een vurigheid die, zoals heel zijn loslippigheid, slechts was ingegeven door het gelukkige toeval dat Dencombe een luisterend oor bood en ze beiden hetzelfde boek lazen. Dencombe liet doorschemeren de auteur van De middelste jaren heel vaag te kennen, maar was niet goed bedacht op de vragen die dat ontlokte aan de dokter, die nog nooit zo’n bevoorrecht persoon had ontmoet. Hij bespeurde in zijn ogen op dat moment zelfs een begin van een vermoeden. Maar de jongeman was te zeer door het heilige vuur gegrepen om op zijn hoede te zijn en pakte herhaaldelijk het boek, onder het uitroepen van: ‘Hebt u dit gezien?’ of ‘Vond u dat ook niet enorm treffend?’
   ‘Tegen het eind staat een schitterende passage,’ begon hij weer, en nam het boek ter hand. Al bladerend stuitte hij op iets anders, en Dencombe zag hem van kleur verschieten. Hij had Dencombes boek van de bank gepakt in plaats van zijn eigen exemplaar, en zijn buurman begreep meteen waarvan hij zo schrok. Dokter Hugh zette een ernstig gezicht op en zei toen: ‘Ik zie dat u de tekst verandert!’ Dencombe was een hartstochtelijk verbeteraar die eindeloos bleef schaven aan zijn stijl; het laatste wat hij ooit bereikte was een formulering die hij als definitief kon beschouwen. Het was zijn ideaal om in het geheim te publiceren en die eerste editie vervolgens aan een bange correctie te onderwerpen, zodat hij de eerste druk opofferde en zijn werk voor het nageslacht – en zelfs voor de verzamelaars, arme zielen – altijd begon met de tweede. Deze ochtend had zijn potlood al een tiental lichtpuntjes in De middelste jaren geprikt. Hij vond het vermakelijk dat de verwijtende blik van de jongeman zoveel effect had: hij verschoot zelf even van kleur. Hij stamelde een vage verklaring, zag door een waas de bevreemde blik in de ogen van dokter Hugh en verloor langzaam het bewustzijn. Hij had net nog tijd om te voelen dat zijn ziekte weer oplaaide – dat de emotie, de opwinding, de vermoeidheid, de warmte van de zon en de verlokking van de buitenlucht hem een loer hadden gedraaid – voordat hij met een klaaglijke zucht en een naar zijn buurman uitgestrekte hand buiten kennis raakte.
   Later begreep hij dat hij was flauwgevallen en dat dokter Hugh hem naar huis had gebracht in de rijstoel van een man die daar toevallig naar klanten liep te zoeken en die zich herinnerde hem in de tuin van het hotel te hebben gezien. In die stoel was hij al bijgekomen en die middag in bed had hij een vage herinnering aan het jeugdige gezicht van dokter Hugh dat zich onderweg naar het hotel over hem had gebogen met een troostende lach en een blik waaruit een meer dan stellig vermoeden over zijn identiteit sprak. Die identiteit was nu onmiskenbaar, en nog onmiskenbaarder waren zijn spijt en woede. Hij was stom geweest, overmoedig, was te snel naar buiten gegaan, te lang buiten gebleven. Hij had zich niet moeten blootstellen aan contact met vreemden, had zijn bediende moeten meenemen. Het voelde alsof hij in zo’n diepe put was gevallen dat er geen streepje hemel meer zichtbaar was. Hij had maar een vage notie van hoeveel tijd er was verstreken – hij moest het in gedachten reconstrueren. Hij had zijn dokter gesproken, de echte, die hem al vanaf het begin behandelde en die weer uitermate aardig was geweest. Zijn bediende sloop op kousenvoeten de kamer in en uit, zijn gezicht een en al wijsheid achteraf. Herhaaldelijk zei hij iets over de vlotte jongeheer. Verder zonk Dencombe weg in vaagheid, voor zover het geen wanhoop was. De vaagheid was in zoverre verklaarbaar dat hij droomde, in een angstige halfslaap verkeerde waaruit hij ten langen leste ontwaakte in een donkere kamer met gedempt kaarslicht.
   ‘Het komt weer goed met u – ik weet nu alles over u,’ hoorde hij vlakbij een stem zeggen die jeugdig klonk. Toen herinnerde hij zich het gesprek met dokter Hugh weer. Hij was nog te moedeloos om er al grappen over te kunnen maken, maar begreep na enige tijd dat het zijn bezoeker ook grote ernst was. ‘Ik kan u natuurlijk niet behandelen – u heeft uw eigen man, die ik gesproken heb en die voortreffelijk is,’ ging dokter Hugh verder. ‘Maar u moet me toestaan dat ik u bezoek als vriend. Ik kom nu even kijken voor ik naar bed ga. Het gaat uitstekend met u, maar u bofte dat ik erbij was op de klif. Morgenvroeg kom ik weer kijken. Ik wil iets voor u doen. Ik wil alles voor u doen. U heeft zoveel voor mij gedaan.’ De jongeman zat over hem gebogen en hield zijn hand vast en de arme Dencombe, zich slechts half bewust van wie hem de hand drukte, lag daar maar en accepteerde zijn beloften. Minder kon hij niet doen, hij had alle hulp hard nodig.
   De gedachte aan de hulp die hij nodig had liet hem die hele nacht niet los, een nacht die hij helder denkend doorbracht, verzonken in een diepe overpeinzing die de reactie was op zijn urenlange bewusteloosheid. Hij was verloren, verloren – hij was verloren als hij niet gered kon worden. Hij was niet bang voor pijn of voor de dood, hij was niet eens verliefd op het leven, maar hij had weer ervaren hoe verlangen voelt. In die lange stille uren bedacht hij dat hij pas met De middelste jaren tot volle vlucht was gekomen; pas deze dag, nu een geluidloze beeldenstoet aan hem voorbij trok, had hij zijn koninkrijk zien liggen. Zijn volle bereik was hem geopenbaard. Wat hem schrik aanjoeg, was de gedachte dat zijn reputatie zou berusten op iets onvoltooids. Niet wat achter hem, maar wat nog voor hem lag zou er de basis voor moeten zijn. Ziekte en ouderdom verrezen voor hem als twee geesten met meedogenloze ogen: hoe kon hij die overhalen hem een tweede kans te gunnen? Hij had de ene kans gekregen die ieder mens krijgt: de kans van een leven. Hij viel pas heel laat weer in slaap en toen hij wakker werd, zat dokter Hugh aan zijn bed. Diens aanwezigheid voelde inmiddels al aangenaam vertrouwd.
   ‘Ik heb uw arts niet weggestuurd, hoor,’ zei hij. ‘Ik zit hier met zijn toestemming. Hij heeft u onderzocht. Om een of andere reden lijkt hij mij te vertrouwen. Ik heb hem verteld hoe we elkaar gisteren hebben ontmoet en hij vindt dat ik wel enig recht op u heb.’
   Dencombe voelde zijn gezicht verstrakken. ‘Hoe heb je dit met de gravin geregeld?’
   De jongeman bloosde een beetje maar wuifde het weg. ‘Ach, vergeet de gravin toch!’
   ‘Je hebt me verteld dat ze erg veeleisend is.’
   Dokter Hugh zweeg even. ‘Dat klopt.’
   ‘En juffrouw Vernham is een intrigante.’
   ‘Hoe weet u dat?’
   ‘Ik weet alles. Een mens met wel, wil hij fatsoenlijk kunnen schrijven!’
   ‘Volgens mij is ze gestoord,’ zei de openhartige dokter Hugh.
   ‘Als je maar geen ruzie maakt met de gravin. Je hebt heel veel aan haar.’
   ‘Ik maak geen ruzie,’ antwoordde dokter Hugh. ‘Maar met dwaze vrouwen kan ik niet overweg.’ En hij voegde er meteen aan toe: ‘U lijkt wel erg alleen.’
   ‘Dat komt vaker voor op mijn leeftijd. Ik heb mijn dierbaren overleefd, heb ze onderweg verloren.’
   Dokter Hugh viel even stil, overwon een lichte gne en vroeg toen: ‘Wie heeft u verloren?’
   ‘Iedereen.’
   ‘Nee toch,’ zuchtte de jongeman, en hij legde een hand op zijn arm.
   ‘Ik heb een vrouw gehad, en een zoon. Mijn vrouw overleed bij de geboorte van mijn kind, en mijn zoon is op kostschool aan tyfus ten prooi gevallen.’
   ‘Ik wou dat ik er toen geweest was!’ riep dokter Hugh uit.
   ‘Nou ja, je bent er nu!’ antwoordde Dencombe, met een glimlach die, hoe vaag ook, aangaf dat hij de aanwezigheid van zijn vriend op prijs stelde.
   ‘U doet alsof u zo’n hoge leeftijd hebt. U bent niet oud.’
   ‘Hypocriet! Zo jong al!’
   ‘Ik bedoel fysiologisch.’
   ‘Zo praat ik zelf ook al vijf jaar, zo hou ik mezelf steeds voor de gek. Pas als we oud zijn, beginnen we onszelf wijs te maken dat we het niet zijn.’
   ‘Ik weet van mezelf wel dat ik jong ben,’ wierp dokter Hugh tegen.
   ‘Maar niet zo goed als ik het weet!’ lachte zijn patint, en zijn bezoeker bevestigde dat meteen door de onbevangen wijze waarop hij de hele kwestie probeerde om te draaien, met de opmerking dat een van de voordelen van de ouderdom toch was – in ieder geval voor mensen die ergens in uitblonken – dat je tevreden kon terugkijken op wat je had gedaan en bereikt. Dokter Hugh liet zich het clich ‘welverdiende rust’ ontvallen, wat de arme Dencombe bijna in woede deed ontsteken. Maar hij hield zich in en legde heel helder uit dat als hij die troost wrang genoeg moest missen, dat ongetwijfeld kwam doordat hij zo vreselijk veel tijd had verspild. Van meet af aan had hij het pad van de literatuur gevolgd, maar het had hem een heel leven gekost om te komen waar hij wilde. Pas vandaag waren hem eindelijk de ogen geopend, en bleek alles wat hij tot dusver had vertoond slechts doelloos gezwalk te zijn geweest. Hij was te laat tot rijping gekomen en had zo'n klunzige inborst dat hij alles fout voor fout had moeten leren.
   ‘Ik verkies uw bloemen boven andermans vruchten, en uw fouten boven andermans successen,’ zei de hoffelijke dokter Hugh. ‘Het is juist om de fouten dat ik u bewonder.’
   ‘Jij bent gelukkig... je hebt geen idee,’ antwoordde Dencombe.
   Na een blik op zijn horloge stond de jongeman op en noemde het tijdstip waarop hij die middag zou terugkomen. Dencombe waarschuwde dat hij zich niet moest vastleggen en sprak weer zijn vrees uit dat hij om zijnentwille de gravin zou verwaarlozen, wellicht zelfs haar ongenoegen zou wekken.
   ‘Ik wil zoals u zijn, ik wil leren van mijn fouten!’ lachte dokter Hugh.
   ‘Pas maar op dat je geen fatale fout maakt! Maar kom wel terug,’ voegde Dencombe eraan toe, met een glimp van een nieuw idee in zijn achterhoofd.
   ‘U had wat ijdeler moeten zijn!’ Zijn vriend zei het alsof hij precies wist welke dosis ijdelheid voor een schrijver normaal was.
   ‘Nee, nee, ik had alleen meer tijd moeten hebben. Ik wil een tweede kans.’
   ‘Een tweede kans?’
   ‘Ik wil een verlenging.’
   ‘Een verlenging?’ Weer herhaalde dokter Hugh zijn woorden, die hem leken te treffen.
   ‘Begrijp je het niet? Ik wil, zoals men dat noemt, “leven”.’
   De jongeman had ten afscheid zijn hand uitgestoken, en drukte die van Dencombe met enige kracht. Ze keken elkaar strak aan. ‘Leven zult u,’ zei dokter Hugh.
   ‘Niet zo luchtig. Dit is ernst!’
   ‘Ik zorg dat u blifjt leven!’ stelde de bezoeker, en hij verbleekte.
   ‘Ah, zo mag ik het horen!’ En toen hij vertrok, zakte de patint met een bezorgd lachje dankbaar terug op het kussen.
   Die hele dag en de daaropvolgende nacht vroeg hij zich af of het niet geregeld kon worden. Zijn arts kwam weer langs, zijn bediende verzorgde hem goed, maar het was de zelfverzekerde jonge vriend op wie hij zijn hoop had gevestigd. Van de inzinking op de rotsen was de oorzaak inmiddels vastgesteld, en als hij verder herstelde werd hem voor de volgende dag ontslag van zijn ziekbed beloofd. Ondertussen was hij echter zo diep in gepeins verzonken dat hij rustig bleef en dit hem onverschillig liet. De gedachte die hem bezighield was een ziekelijke fantasie, maar daarom niet minder aanlokkelijk. Hier was een pienter kind van zijn tijd, vindingrijk en gedreven, die hem toevallig op het schild had gehesen als coryfee voor connaisseurs. Deze dienaar aan zijn altaar beschikte over zowel de nieuwste wetenschappelijke inzichten als een ouderwetse eerbied voor de kunst. Zou hij zijn kennis niet ten dienste willen stellen van zijn voorkeuren, zijn vak ten dienste van zijn liefde? Zou hij geen remedie kunnen bedenken voor een arme kunstenaar wiens werk hij al zoveel eer had bewezen? Zo niet, dan was het alternatief onverkwikkelijk: dan zou Dencombe ongezien en onbegrepen verdwijnen.
   De rest van die dag en de hele dag daarna speelde hij in gedachten met dit aangename hersenspinsel. Wie anders kon dat wonder bewerkstelligen dan die jongeman, die zo’n helder verstand paarde aan zoveel hartstocht? Hij dacht aan de sprookjes van de wetenschap en verloor uit het oog dat hij in feite verlangde naar een toverkunst die niet van deze wereld was. Dokter Hugh was een geestverschijning, en dat plaatste hem boven de wet. Zijn komen en gaan werd door zijn patint, die nu rechtop kon zitten, met smekende ogen gevolgd. De kennismaking met de grote auteur had de jongeman ertoe bewogen De middelste jaren te herlezen en er zodoende nog meer moois in te ontdekken. Dencombe had hem verteld wat hij in het werk had nagestreefd. Al zijn intelligentie ten spijt had dokter Hugh dat bij eerste lezing niet geraden. De verblufte coryfee vroeg zich af wie het dan in hemelsnaam wl kon raden: hij vermaakte zich weer over de enorme hoeveelheid energie die kon worden besteed aan het verkeerd begrijpen van een bedoeling. Maar vandaag had hij geen zin in een tirade tegen de grauwe middelmaat, hoeveel troost hij daaruit vroeger ook altijd had geput: vergeleken bij de traagheid van zijn eigen ontwikkeling was de grootste domheid nog heilig.
   Dokter Hugh begon na verloop van tijd zorgelijk te kijken, en bij navraag biechtte hij op dat er problemen aan het thuisfront waren. ‘Blijf de gravin trouw, sla geen acht op mij,’ zei Dencombe herhaaldelijk – want zijn metgezel deed niet geheimzinnig over de houding van de grote dame. Die was zo jaloers dat ze er ziek van werd, ze nam aanstoot aan zijn ontrouw. Ze betaalde zoveel dat ze ook volledige trouw eiste: ze ontzegde hem het recht op vriendschap met anderen en verweet hem aan te sturen op haar eenzame dood – want het behoefde geen betoog dat iemand als juffrouw Vernham haar weinig te bieden had. Toen dokter Hugh vertelde dat de gravin al uit Bournemouth zou zijn vertrokken als hij haar niet het bed liet houden, greep de arme Dencombe zijn arm steviger vast en zei gedecideerd: ‘Vertrek meteen met haar.’ Ze waren samen naar de beschutte plek gekuierd waar ze hadden kennisgemaakt. De jongeman, die zijn metgezel op zijn arm liet leunen, verklaarde vurig dat hij een rein geweten had – hij kon wel twee paarden tegelijk berijden. Was het niet zijn droom om er ooit vijfhonderd tegelijk te berijden? Ook Dencombe wilde niets op zijn geweten hebben en antwoordde dat in die gouden toekomst geen patint aanspraak zou maken op zijn exclusieve zorgen. Maar was dat verlangen bij de gravin niet gewettigd? Dat bestreed dokter Hugh, volgens hem hadden ze geen contract maar slechts een vrijblijvende afspraak, en kon een vrije geest zich ook niet tot slaafse dienstbaarheid verlagen. Bovendien sprak hij graag over kunst, en op het bankje in de zon met de auteur van De middelste jaren probeerde hij dan ook vooral daarover te praten. Dencombe, die weer een beetje op de zwakke vleugels van zijn herstel zweefde, werd nog steeds geobsedeerd door het wenkende perspectief van een reddingsoperatie en hield een welbespraakt pleidooi voor een schitterende ‘late stijl’, die het bolwerk van zijn reputatie moest worden, de vesting waarin hij zijn echte schatten bijeen zou brengen. Zijn toehoorder schonk hem zijn hele ochtend, en met de grote stille zee schijnbaar wachtend aan hun voeten schilderde Dencombe een prachtig visioen. Hij werd zelf meegesleept door zijn beschrijving van die toekomstige schatten: de edelmetalen die hij uit de mijn zou winnen, de zeldzame edelstenen, de parelsnoeren die hij tussen de zuilen van zijn tempel zou hangen. Hij liep zo over van ideen dat hij in vervoering raakte, en dokter Hugh nog meer, al verzekerde die hem ook dat de pagina’s van het net verschenen werk al tal van pareltjes bevatte. Zijn bewonderaar begon echter te verlangen naar wat nog komen zou, en verzekerde Dencombe in het licht van die stralende dag nogmaals dat zijn professie zich garant stelde voor zijn leven. Toen greep hij ineens naar zijn vestzakhorloge en vroeg verschoning om hem een half uur alleen te laten. Terwijl Dencombe zat te wachten op zijn terugkeer, werd hij ineens naar het hier en nu teruggeroepen door een lange schaduw die over de grond viel. Die schaduw werd geworpen door juffrouw Vernham, de gezelschapsdame van de gravin. Toen Dencombe haar herkende, zag hij meteen dat ze hem wilde spreken en stond hij uit beleefdheid op. Van veel beleefdheid getuigde juffrouw Vernham zelf niet. Ze maakte een merkwaardig opgewonden indruk, en het was nu onmiskenbaar wat voor type ze was.
   ‘Neem me niet kwalijk,’ zei ze, ‘maar zou het te veel gevraagd zijn om dokter Hugh met rust te laten?’ En voordat onze arme vriend, hevig ontdaan door die woorden, iets kon tegenwerpen: ‘U moet weten dat u in zijn licht staat, dat u hem grote schade kunt berokkenen.’
   ‘Als de gravin straks afziet van zijn diensten, bedoelt u?’
   ‘Als ze hem straks onterft.’ Dencombe staarde haar aan en juffrouw Vernham ging door, tevreden dat haar woorden zo’n indruk maakten: ‘Hij kan een heel aardige som erven. Hij had mooie vooruitzichten, maar ik geloof dat u erin bent geslaagd die te bederven.’
   ‘Niet met opzet, dat verzeker ik u. Kan dit niet worden rechtgezet?’ vroeg Dencombe.
   ‘Ze wilde alles voor hem doen. Ze is heel radicaal in haar voorliefdes, ze laat zichzelf gaan, zo is ze. Ze heeft geen familie, ze kan met haar geld doen wat ze wil, en ze is heel ziek,’ zei juffrouw Vernham om het af te ronden.
   ‘Het spijt me vreselijk om dat te horen,’ stamelde Dencombe.
   ‘Zou u misschien uit Bournemouth kunnen vertrekken? Dat is wat ik kom vragen.’
   Hij zakte weer neer op de bank. ‘Ik ben zelf heel ziek, maar ik zal het proberen!’
   Juffrouw Vernham bleef staan, met haar kleurloze ogen en de onbeschaamdheid van haar goede geweten. ‘Voor het te laat is, alstublieft!’ zei ze. Waarop ze hem de rug toekeerde en snel weer uit zijn ogen verdween, alsof dit iets was waar ze niet te veel kostbare tijd aan wilde verspillen.
   O ja, hierna was Dencombe zeker heel ziek. Juffrouw Vernham had hem van streek gebracht met haar botte, harde nieuws. Het was een vreselijke schok om te horen wat er op het spel stond voor die berooide, begaafde jongeman. Hij zat te trillen op zijn bank en staarde naar de waterwoestijn, misselijk van de toegebrachte klap. Hij was echt te zwak, te wankel, te zeer van streek; maar hij zou een poging doen om te vertrekken, want hij wilde hier niet schuldig aan zijn en zijn eer stond werkelijk op het spel. Hij zou in ieder geval terug naar het hotel strompelen en daar bedenken wat hem te doen stond. Onderweg kreeg hij een karakteristiek vermoeden over wat het grote motief van juffrouw Vernham moest zijn. De gravin had natuurlijk een hekel aan vrouwen, dat zag Dencombe heel helder. De smachtende pianiste kon dus zelf nergens op hopen, en moest zich troosten met het stoutmoedige plan om eerst dokter Hugh aan het geld te helpen, en hem vervolgens aan de haak te slaan, of ervan te overtuigen dat ze recht had op enige compensatie, zodat hij haar zou afkopen. Als ze tijdens een welgekozen crisis zijn kant had gekozen zou hij, als hij enig fatsoen had (en dat wist ze immers) rekening met haar moeten houden.
   In het hotel drong Dencombes bediende erop aan dat hij weer naar bed zou gaan. De patint zei aanvankelijk dat hij de trein wilde nemen en dat zijn koffers gepakt moesten worden, tot zijn geteisterde zenuwen het weer begaven. Toen gaf hij toestemming om zijn arts te roepen, wat prompt gebeurde, maar liet nadrukkelijk weten dat zijn deur voortaan voorgoed gesloten was voor dokter Hugh. Hij had een zo geraffineerd plan bedacht dat hij zich er in bed over verkneukelde. Dokter Hugh zou zich ineens harteloos verstoten voelen en uit woede daarover, tot genoegen van juffrouw Vernham, zijn banden met de gravin aanhalen.
   Van de arts kreeg Dencombe te horen dat hij koorts had en dat dit geen goed teken was: hij moest zoveel mogelijk rust nemen en voor zover mogelijk nergens meer aan denken. De rest van de dag probeerde hij volstrekte gedachteloosheid te betrachten, maar er was n pijn die aan zijn gemoed bleef knagen: dat hij er zijn ‘verlenging’ voor moest opofferen, dat zijn race gelopen was. Zijn geneesheer was verre van tevreden: de hernieuwde aanvallen beloofden weinig goeds. Daarom vroeg hij de arts hem te helpen niet meer aan dokter Hugh te denken, dat zou enorm bijdragen aan zijn gemoedsrust. Zo werd die verontrustende naam in zijn kamer niet meer uitgesproken, maar de rust die dat bracht, was slechts onderdrukte angst, en dat werd er niet beter op na de ontvangst, om tien uur die avond, van een door zijn bediende geopend en voorgelezen telegram uit Londen, afkomstig van juffrouw Vernham. ‘Smeek u al uw invloed aan te wenden opdat onze vriend zich morgenochtend bij ons voegt. Gravin erg achteruitgegaan na vreselijke reis, maar alles valt nog te redden.’ De twee dames hadden die middag uit wrevel hun spullen gepakt en een daad gesteld: ze waren naar de hoofdstad afgereisd. En hoe ziek de gravin volgens juffrouw Vernham ook was, ze had blijkbaar duidelijk willen maken dat haar roekeloosheid niet onderdeed voor haar zwakte. De arme Dencombe, die niet roekeloos was en slechts hoopte dat alles inderdaad nog zou worden ‘gered’, stuurde dit schrijven onmiddellijk door naar de kamer van de jongeman en hoorde de volgende ochtend tot zijn genoegen dat hij een vroege trein naar Londen had genomen.
   Twee dagen later drong hij de kamer weer binnen met in zijn hand een literair periodiek. Hij was teruggekomen uit bezorgdheid en om te kunnen zwaaien met de schitterende bespreking van De middelste jaren. Dit was tenminste passend, dit was het werk waardig: een lofrede, eerherstel, een poging van de literaire kritiek om de auteur bij te zetten in de nis waarin hij ruimschoots een plaats had verdiend. Dencombe knikte ja en amen. Hij sputterde niet tegen en stelde geen vragen, want de oude kwalen speelden weer op en hij had twee afschuwelijke dagen achter de rug. Hij was er niet alleen van overtuigd dat hij dit bed nooit meer zou verlaten – zodat zijn jonge vriend nu wel mocht blijven – maar dat hij zelfs geen groot beroep zou hoeven doen op het geduld van de mensen om hem heen.
   Dokter Hugh was naar Londen geweest, en hij zocht in diens ogen naar een bekentenis dat hij vrede had gesloten met de gravin en de erfenis veilig had gesteld, maar hij zag alleen jeugdige vreugde over twee of drie zinsneden in het tijdschrift. Dencombe kon ze niet lezen, maar nadat zijn bezoeker ze enkele malen had voorgelezen kon hij zijn eigen, minder extatische hoofd schudden.
   ‘O nee – dat zou hooguit van toepassing zijn geweest op wat ik had knnen doen!’
   ‘Wat een mens “had kunnen doen” is toch hoofdzakelijk wat hij in feite gedaan hft,’ wierp dokter Hugh tegen.
   ‘Hoofdzakelijk, ja. Maar ik ben een dwaas geweest!’ zei Dencombe.
   Dokter Hugh bleef bij hem. Het einde naderde snel. Twee dagen later zei de patint, in een zwakke poging om luchtig te doen, dat een tweede kans er nu niet meer in zat. De jongeman staarde hem aan en riep toen uit: ‘Maar die is er al geweest – die is er geweest! Het was een tweede kans voor de lezers – de kans om te zien hoe het gelezen moet worden, om de parel te vinden!’
   ‘Ach, de parel!’ zuchtte de arme Dencombe bedrukt. Een glimlach zo kil als een winterse zonsondergang speelde om zijn dunne lippen toen hij eraan toevoegde: ‘De parel is dat wat ongeschreven blijft. De parel is wat onbedorven is, wat er nog niet is, wat verloren is!’
    Vanaf dat moment was hij steeds minder bij kennis, zich niet meer bewust van alles wat om hem heen gebeurde. Hij was beslist ten dode opgeschreven, en na het korte respijt waarin hij dokter Hugh had leren kennen, zette zijn ziekte door met de onverbiddelijkheid van een lek in een groot schip. Langzaam zonk hij weg, en al wist zijn uiterst begaafde bezoeker hem met volledige goedkeuring van zijn eigen arts en met eindeloze vindingrijkheid voor verdere pijn te behoeden, de arme Dencombe kon zich van alle goede zorgen geen rekenschap meer geven en vertoonde geen symptomen van spijt of andere gedachten.
   Tegen het einde bleek hij echter wel gemerkt te hebben dat dokter Hugh twee dagen lang niet in zijn kamer was verschenen, toen hij plotseling zijn ogen opende en daarnaar vroeg. Had dokter Hugh die dagen bij de gravin doorgebracht?
   ‘De gravin is dood,’ zei dokter Hugh. ‘Ik wist dat ze een bepaalde complicatie niet zou overleven. Ik heb haar graf bezocht.’
   Dencombe sperde zijn ogen open. ‘Heeft ze je “een aardige som” nagelaten?’
   De jongeman stootte een lach uit die bijna te luchtig klonk bij een ziekbed. ‘Geen cent. Ze heeft me regelrecht vervloekt.’
   ‘Vervloekt?’ jammerde Dencombe.
   ‘Omdat ik haar verlaten had. Ik had haar verlaten voor ju. Ik moest wel kiezen,’ legde zijn metgezel uit.
   ‘Je koos ervoor om een fortuin te laten schieten?’
   ‘Ik koos ervoor de gevolgen van mijn verknochtheid te aanvaarden, wat ze ook mogen zijn,’ zei dokter Hugh met een glimlach. En gekscherend vervolgde hij: ‘Dat fortuin kan me gestolen worden! Het is je eigen schuld dat ik jouw werk niet uit mijn hoofd krijg.’
   De directe reactie op zijn kwinkslag was een langgerekt, verbijsterd gekreun, waarna Dencombe urenlang, dagenlang roerloos en afwezig bleef liggen. Dat stellige antwoord, die glimp van een concreet resultaat en dat gevoel van waardering werkten op zijn gemoed en veroorzaakten daar een vreemde beroering die zijn wanhoop geleidelijk omvormde tot iets anders. Hij had niet langer het gevoel weg te zinken in koud water, hij leek juist moeiteloos te drijven. Het hele voorval was een buitengewoon bewijs, het wierp een feller licht op alles. Uiteindelijk gebaarde hij naar dokter Hugh dat hij iets wilde zeggen, en toen die bij zijn kussen was geknield liet hij hem zijn hoofd nog dichterbij brengen.
   ‘Je doet me denken dat het allemaal een hersenschim is geweest.’
   ‘Jouw prestatie toch niet, mijn beste vriend,’ stamelde de jongeman.
   ‘Mijn prestatie niet – voor zover het een prestatie is! Het s een prestatie: op de proef worden gesteld, ons kleine beetje talent ontplooien en onze kleine magie mogen uitoefenen. Zolang je er maar in slaagt iemand te raken. Toevallig ben jij natuurlijk stapelgek, maar dat ontkracht de regel niet.’
   ‘Je bent een groot succes!’ zei dokter Hugh, en zijn jonge stem klonk als een bruiloftsklok.
   Dencombe liet dit bezinken; toen raapte hij zijn krachten bijeen om nog iets te zeggen. ‘Een tweede kans: dt is de hersenschim. We krijgen er altijd maar n. We werken in het duister – we doen wat we kunnen – we geven wat we hebben. Onze twijfel is onze passie en onze passie is onze taak. De rest is de waanzin van de kunst.’
   ‘Al heb je getwijfeld, al heb je gewanhoopt, je hebt het toch maar “gedaan”,’ wierp de ander geraffineerd tegen.
   ‘Iets hebben we wel gedaan,’ gaf Dencombe toe.
   ‘Iets is alles. Dat is wat haalbaar is. Dat ben jj!’
   ‘Trooster,’ zuchtte de arme Dencombe spottend.
   ‘Maar het is waar,’ hield zijn vriend vol.
   ‘Het is waar. Het is de teleurstelling die niet meetelt.’
   ‘Teleurstelling is het leven maar,’ zei dokter Hugh.
   ‘Ja, dat is wat voorbijgaat.’ De arme Dencombe was nauwelijks nog te verstaan, maar zijn woorden markeerden het einde van zijn eerste en enige kans.




Henry James:
Aantekeningen

Overzicht van
vertalingen


portret Henry James

Meer vertalingen:
Joseph Conrad
Henry James

Poëzie:
Robert Burns
W.B. Yeats

Shakespeare
John Donne
Edmund Spenser