Franks homepage
Nieuw op de site
Contact
Zoeken
English

de 'Droeshout-gravure' van Shakespeare

Shakespeare:
Voorwoord
Bibliografie
Tekstverantwoording
Vertalingen
Bewerkingen
A Lover's Complaint
De sonnetvorm
Shakespeare-links

Vertalers:
Burgersdijk
Albert Verwey
J. Decroos
Boutens
Moulijn-Haitsma Mulier
Jan Campert
Hugo Claus


Tijdgenoten:
Edmund Spenser
John Donne


Statistieken/Privacy

1

From fairest creatures we desire increase,
That thereby beauty's Rose might never die
But, as the riper should by time decease,
His tender heir might bear his memory.
But thou, contracted to thine own bright eyes,
Feed'st thy light's flame with self-substantial fuel,
Making a famine where abundance lies.
Thyself thy foe, to thy sweet self too cruel.
Thou that art now the world's fresh ornament
And only herald to the gaudy spring,
Within thine own bud buriest thy content
And, tender churl, mak'st waste in niggarding.
   Pity the world, or else this glutton be:
   To eat the world's due, by the grave and thee.

Van schone schepsels wenst men nageslacht
Om zo de roos der schoonheid nieuw te enten,
Zodat, als ooit het rijpere vergaat,
De nazaat ons de pracht weer in kan prenten.
Maar jij bent zelf jouw vlam, en zo gericht
Zul jij je eigen brandstof potverteren,
Zo wordt in weelde armoe aangericht
En wreed zul jij je schone zelf duperen.
Je bent nu jong, voor ieder bezienswaard,
Uniek tot lentebrenger uitverkoren;
Bedenk dan, vlegel, 't zaad dat men bespaart
Is naar de knoppen, aan de oogst verloren.
   Wees mild voor ons, of schrok maar lekker veel:
   Eet voor en na je graf óns eerlijk deel.


We willen nageslacht van mooie mensen.
Zo zal de roos van schoonheid nooit vergaan.
Wel loopt hij, rijper, aan tegen de grenzen
Van tijd; een nieuwe loot wordt erfgenaam.
Maar jij fixeert je op je eigen beeld.
Je licht schijnt fel, je bent je eigen kaars.
Je hongert, en je bent zo rijk bedeeld.
Angst voor jezelf, drijft dat tot zoiets zwaars?
Weet, jouw gestalte fleurt de wereld op.
Je bent de bode van de lentemorgen.
Wat jij te bieden hebt is nog in knop;
Wat eeuwig zonde als dat blijft verborgen.
   Pas op, of jij wordt, in jezelf gekeerd,
   Door 't graf en door jezelf intens verteerd.


Nieuwe vertalingen zijn altijd welkom! Als je zelf ook een vertaling hebt die je hier wel geplaatst of gelinkt wilt zien, mail me dan.

Klik hier voor een Engelstalig commentaar op dit gedicht.

Commentaar

Al mijn commentaren zijn zwaar schatplichtig aan de interpretaties van Stephen Booth en de andere edities van de sonnetten.

Helen Vendlers analyse van dit gedicht staat hier online.

Thema's

De verzameling van Shakespeares sonnetten begint met de zogenaamde 'procreation sonnets', een reeks van 17 sonnetten waarin de dichter iemand aanspoort om kinderen te krijgen. Vooral in sonnet 2 lijkt het een variatie op het hoofse liefdesthema dat perfect is uitgedrukt in het beroemde sonnet van Pierre de Ronsard: later als je oud bent zul je spijt krijgen dat je mijn liefde hebt versmaad.

Maar bij Shakespeare gaat het niet om een minnaar die probeert een vrouw het bed in te krijgen. Deze eerste 17 sonnetten zijn tot een man gericht is. Dat blijkt nog niet onweerlegbaar uit dit eerste sonnet, maar wordt verderop in de reeks (bijv. in sonnet 3 en 13) wel heel duidelijk. De dichter spoort dus een mooie jongeman aan om toch vooral een nakomeling te verwekken.

Biografie

Er wordt vaak aangenomen dat Shakespeare de eerste 17 sonnetten schreef in opdracht van een adellijke familie die vond dat hun zoon te lang talmde met het verwekken van een erfgenaam. Aan welke jonge edelman de sonnetten dan gericht zijn, valt niet met zekerheid te zeggen. De twee meest genoemde kandidaten zijn William Herbert, de graaf van Pembroke, en Henry Wriothesley, graaf van Southampton (meestal kortweg Southampton genoemd). Herbert deelt natuurlijk zijn initialen met de mysterieuze W.H. die wordt aangeroepen in de cryptische opdracht bij de sonnetten, maar bij de meeste geleerden is Southampton om tal van andere redenen nog altijd de populairste kandidaat. Aan hem had Shakespeare ook zijn twee lange gedichten Venus & Adonis en The Rape of Lucrece opgedragen. Voorstanders van de Southampton-theorie wijzen er graag op dat zijn achternaam Wriothesley destijds wellicht werd uitgesproken als 'roseley', en zij lezen 'beauty's rose' in dit eerste sonnet dus als een duidelijke verwijzing naar hem.

Verder zal ik op deze site niet te diep ingaan op de mogelijke biografische aspecten van de sonnetten, omdat we niet over harde feiten beschikken. Alle biografische interpretaties berusten noodgedwongen op louter speculatie. Het lijkt mij zinniger om de sonnetten op te vatten als zuivere fictie, en me te beperken tot de tekst. Het is zelfs de vraag of je de sonnetten moet beschouwen als een sonnettenreeks. Zoals ook de Shakespeare-kenners in dit filmpje op YouTube
uitleggen, is hier en daar wel duidelijk sprake van minireeksen, kleine groepjes sonnetten die duidelijk thematisch aan elkaar verwant zijn. Maar van een sonnettenreeks met een duidelijke opbouw en verhaalverloop (laat staan duidelijke en met naam genoemde personages) is geen sprake. Misschien is dat mede wat deze verzameling sonnetten zo rijk en evocatief maakt: er is volop mogelijkheid om interessante dwarsverbanden te leggen en parallellen te zien, maar dat blijft altijd het werk van de lezer.

Parafrase

Van al wat mooi is, wensen we dat het zich voortplant (increase), zodat de Roos der Schoonheid (het neoplatonische symbool voor de schoonheid als ideaal) nooit sterft, omdat telkens als de oude plant verwelkt, een jonge nakomeling de nagedachtenis doet voortleven. Maar jij verliest jezelf in bewondering voor je eigen schoonheid, hebt aan jezelf genoeg, en ondanks alle overvloed aan schoonheid (abundance) die je te bieden hebt, onthoud je de toekomst de nakomeling waar de wereld naar hongert (famine), en zo doe je jezelf onrecht. Jij bent nu het sieraad van de wereld, je schoonheid een heraut van de lente, maar jij laat je rozenknop niet tot bloei komen, jij lieve vrek (tender churl) weigert iets van je schoonheid door te geven (niggarding, vrekkig zijn) en gooit zo alles weg (makest waste). Heb medelijden met de wereld, en bezondig je niet aan zulke vraatzucht (gluttony): om dat wat de wereld toekomt alleen zelf op te eten, en mee het graf in te nemen.

Lastige woorden

Het eerste sonnet is niet het moeilijkste in de reeks, het is ook niet het beste, het mooiste of diepgravendste, en misschien niet eens het meest typerende. Maar ook in dit sonnet zijn een aantal van de belangrijkste eigenschappen terug te vinden die de reeks als geheel typeren. Laat ik er een paar aanstippen.

regel 4 tender heir
Dit lijkt vrij duidelijk: de oude bloem (riper) verwelkt na verloop van tijd, maar het beeld van zijn schoonheid blijft voortleven in zijn jonge nakomeling (heir). Tender kan hier zowel 'jong' betekenen (zoals in 'tender shoot', een jonge loot), als 'lief, zachtaardig'. In 'bear his memory' wordt vaak een heraldieke metafoor gelezen: het gezicht van de jongeman 'draagt' de beeltenis of gelijkenis van de vader als een wapen op een wapenschild. Daarnaast zit in 'bear' de suggestie van vruchtdragen en nakomelingen verwekken, wat aansluit bij het thema.

Maar daarnaast is hier sprake van een nog veel subtielere (sommigen zouden zeggen: vergezochte) tweetalige woordspeling, waardoor 'tender heir' juist 'vrouw' betekent. Dat werkt als volgt: er bestond een, foutieve en wellicht half schertsende, traditie om te zeggen dat het Latijnse woord mulier (vrouw) afstamde van het Latijn se'mollis aer' of wel 'zachte lucht' – 'tender air' in het Engels, wat natuurlijk hetzelfde klinkt als 'tender heir'. Op deze wijze gelezen betekent de regel dus ineens: als de oude bloem verwelkt, zal zijn vrouw ('tender air') een jongen voortbrengen (bear) die aan hem herinnert.

Het lijkt vergezocht, maar deze en soortgelijke woordspelingen blijken in de literatuur van die tijd vaker voor te komen, dus het is zeker niet onwaarschijnlijk dat Shakespeare het echt zo bedoeld heeft. Dit soort subtiele woordspelingen zijn ook typerend voor de barokke poëzie van die tijd, en het zijn natuurlijk juist dit soort spitsvondigheden die de sonnetten zo 'onvertaalbaar' maken, althans in de zin dat het onmogelijk is om in één enkele vertaling ooit álle kleine nuances en facetten van het origineel volledig te vangen.

(Ze zijn namelijk wel vertaalbaar in de zin dat diverse vertalers in staat zijn gebleken heel fraaie Nederlandse sonnetten te schrijven waarin verbazingwekkend véél aspecten van de oorspronkelijke gedichten ook in het Nederlands worden overgebracht.)


regel 12: Een churl is een botte kerel, een lomperik, en had daarnaast de betekenis van vrek. Ook het werkwoord niggarding betekent gierig zijn. De jongeman wordt dus aangesproken als lieve lomperik die gierig is (omdat hij weigert een vrouw zwanger te maken en de wereld zo een nakomeling onthoudt), en in die gierigheid zijn eigen schoonheid juist verspilt (make'st waste). En zoals Stephen Booth opmerkt, wordt heel die paradox samengebald in het enkele woord 'glutton' (vraatzucht) in regel 13: vraatzucht is immers een vorm van extreme hebzucht en van extravagante spilzucht tegelijkertijd.
Dergelijke paradoxen en spitsvondige omkeringen binnen omkeringen zijn typerend voor de barokke dichtkunst van die tijd, en vooral tegenstellingen zijn iets waar Shakespeare zich enorm in verlustigde, en waar hij vaak op briljante wijze mee speelde.


In de slotregel zien we een andere typerende eigenschap van deze sonnetten: het is praktisch onmogelijk om de laatste zin grammaticaal helemaal bevredigend te parafraseren. De precieze betekenis is niet helemaal te vatten, het blijft een beetje obscuur, elke uitleg voor hoe de frase 'by the grave and thee' precies in elkaar zit en waar het precies op slaat, houdt iets gekunstelds. Stephen Booth schrijft in zijn commentaar: de slotregel 'klinkt heel betekenisvol, maar vraagt niet om een precieze duiding en verdraagt die ook niet.'

Grammaticale scherpslijpers zullen dat wellicht afkeuren. Booth heeft er wel waardering voor. Het gaat er niet om dat Shakespeare als een godheid verheven is boven trivialiteiten als logica en grammaticale samenhang. Soms is hij in de sonnetten werkelijk al te obscuur en draait hij zich vast in een ondoordringbaar struweel van mogelijke betekenissen en onmogelijke zinsconstructies. Maar het komt ook vaak voor dat constructies die grammaticaal niet helemaal kloppen als je ze onder het vergrootglas legt, bij eerste en tweede lezing toch heel zinnig en betekenisvol overkomen. Dat heeft te maken met een kwaliteit waarvoor Stephen Booth in zijn editie van de gedichten een bijzonder goed oog heeft: een zekere nonchalance in de formulering die sommige regels in al hun vaagheid toch heel treffend maakt; een losse spreektaaltoon waarmee de dichter (ondanks het strenge corset van de vormregels voor een sonnet) een ongekende vrijheid weet te bereiken.


Amsterdam, november 2010


oude spelling
Andere vertalingen:
Burgersdijk
Verwey
Moulijn-Haitsma Mulier
Decroos
Boutens
Jonk
Van der Krogt
Grandgagnage

Sonnet 1
Sonnet 2
Sonnet 3
Sonnet 4
Sonnet 5
Sonnet 6
Sonnet 7
Sonnet 8
Sonnet 9
Sonnet 10
Sonnet 11
Sonnet 12
Sonnet 13
Sonnet 14
Sonnet 15
Sonnet 16
Sonnet 17
Sonnet 18
Sonnet 19
Sonnet 20
Sonnet 21
Sonnet 22
Sonnet 23
Sonnet 24
Sonnet 25
Sonnet 26
Sonnet 27
Sonnet 28
Sonnet 29
Sonnet 30
Sonnet 31
Sonnet 32
Sonnet 33
Sonnet 34
Sonnet 35
Sonnet 36
Sonnet 37
Sonnet 38
Sonnet 39
Sonnet 40
Sonnet 41
Sonnet 42
Sonnet 43
Sonnet 44
Sonnet 45
Sonnet 46
Sonnet 47
Sonnet 48
Sonnet 49
Sonnet 50
Sonnet 51
Sonnet 52
Sonnet 53
Sonnet 54
Sonnet 55
Sonnet 56
sonnet 57
Sonnet 58
Sonnet 59
Sonnet 60
Sonnet 61
Sonnet 62
Sonnet 63
Sonnet 64
Sonnet 65
Sonnet 66
Sonnet 67
Sonnet 68
Sonnet 69
Sonnet 70
Sonnet 71
Sonnet 72
Sonnet 73
Sonnet 74
Sonnet 75
Sonnet 76
Sonnet 77
Sonnet 78
Sonnet 79
Sonnet 80
sonnet 81
Sonnet 82
Sonnet 83
Sonnet 84
Sonnet 85
Sonnet 86
Sonnet 87
Sonnet 88
Sonnet 89
Sonnet 90
Sonnet 91
Sonnet 92
Sonnet 93
Sonnet 94
Sonnet 95
Sonnet 96
Sonnet 97
Sonnet 98
Sonnet 99
Sonnet 100
Sonnet 101
Sonnet 102
Sonnet 103
Sonnet 104
Sonnet 105
Sonnet 106
Sonnet 107
Sonnet 108
Sonnet 109
Sonnet 110
Sonnet 111
Sonnet 112
Sonnet 113
Sonnet 114
Sonnet 115
Sonnet 116
Sonnet 117
Sonnet 118
Sonnet 119
Sonnet 120
Sonnet 121
Sonnet 122
Sonnet 123
Sonnet 124
Sonnet 125
Sonnet 126
Sonnet 127
Sonnet 128
Sonnet 129
Sonnet 130
Sonnet 131
Sonnet 132
Sonnet 133
Sonnet 134
Sonnet 135
Sonnet 136
Sonnet 137
Sonnet 138
Sonnet 139
Sonnet 140
Sonnet 141
Sonnet 142
Sonnet 143
Sonnet 144
Sonnet 145
Sonnet 146
Sonnet 147
sonnet 148
Sonnet 149
Sonnet 150
Sonnet 151
Sonnet 152
Sonnet 153
Sonnet 154