Franks homepage
Nieuw op de site
Contact
Zoeken
English

de 'Droeshout-gravure' van Shakespeare

Shakespeare:
Voorwoord
Bibliografie
Tekstverantwoording
Vertalingen
Bewerkingen
A Lover's Complaint
De sonnetvorm
Shakespeare-links

Vertalers:
Burgersdijk
Albert Verwey
J. Decroos
Boutens
Moulijn-Haitsma Mulier
Jan Campert
Hugo Claus


Tijdgenoten:
Edmund Spenser
John Donne


Statistieken/Privacy

2

When forty winters shall besiege thy brow
And dig deep trenches in thy beauty's field,
Thy youth's proud livery, so gazed on now,
Will be a tattered weed of small worth held.
Then being asked where all thy beauty lies,
Where all the treasure of thy lusty days,
To say within thine own deep sunken eyes
Were an all-eating shame and thriftless praise.
How much more praise deserved thy beauty's use,
If thou couldst answer: 'This fair child of mine
Shall sum my count and make my old excuse',
Proving his beauty by succession thine.
   This were to be new made when thou art old,
   And see thy blood warm when thou feel'st it cold.

Als veertig keer vorst je voorhoofd belaagt,
Je fris veld van eer een loopgravenfront;
Je fier jeugdtenue, dat nu zo behaagt,
Een rafelig vod dat haast tegenstond;
Dan zat ook je glans niet meer in de lift.
Gevraagd of je pijl het doel had gemist
Was bluf je bewijs van voortplantingsdrift.
Dan was l die zelfroem – en jj – verkwist.
Die lof wl verdiend als minstens n schot
Een zoon had verwekt die charme bezat.
Dn sloot jouw balans, werd jij niet bespot:
Zijn erfgoed attest van 't schoons dat jij had.
   Zo werd je weer jong al was je stokoud,
   Je bloed nogmaals warm in plaats van steenkoud.


Werd jij al veertig winters koud belaagd,
En sloeg dat diepe kloven in je huid,
Is van je uniform de kleur vervaagd
En zie je er nogal verlopen uit,
Dan vraagt men, waar je schoonheid is gevlogen,
De schatten uit de bloeitijd van je leven,
Dan wijs je op je diep verzonken ogen,
Beschaamd, de roem voorbij, al lang vergeven.
Hoeveel meer roem had schoonheid doen ervaren.
Als je kon zeggen: "Kijk, dit kind is 't mijne.
Hij maakt me vrij van schuld en vrij van jaren."
En hij bewijst jouw schoonheid met de zijne.
   Zo word je nieuw gemaakt als je al oud bent
   En warmt je bloed als dat alleen nog kou kent.


Na veertig winters, je gezicht doorploegd
Van tijd en weer, waar is je schoonheid nu?
Versleten als een kleed dat je eens droeg!
Verdwenen met je praal, jij parvenu!
Waar ligt je ware schoonheid dan verborgen,
Als iemand erom vraagt dan weet je 't niet.
Of wijs je dan op je verzonken ogen,
Waar schaamt' en spijt verteert wat niemand ziet?
Een zonde is het dat je zo verspilt
Wat voor je toekomst zoveel had betekend.
Als je kon zeggen:dit kind heb ik gewild,
Het gaf een zin en richting aan mijn leven:
   Zo vindt je bloed een warme levensstroom,
   Waar anders koude wacht als stervensloon.



Nieuwe vertalingen zijn altijd welkom! Als je zelf ook een vertaling hebt die je hier wel geplaatst of gelinkt wilt zien, mail me dan.

Klik hier voor een Engelstalig commentaar op dit gedicht.

Commentaar


Parafrase

Dit sonnet borduurt voort op het thema van het vorige: jongeman, verwek toch een kind, straks ben je oud en versleten. Van de 17 'voortplantingssonnetten' uit deze minireeks is dit een van de bekendste, waarschijnlijk door het mooie beeld in de beginregels: een gezicht dat wordt 'belegerd' door veertig winters – wat in die dagen een respectabele oude leeftijd was – die diepe voren in het gezicht hebben getrokken. De schoonheid van de jeugd is een pronktuniek (proud livery) die nu nog veel bewondering oogst, maar tegen die tijd slechts een versleten vod (tattered weed) zal zijn dat niets meer waard is.

Om het gedicht verder te parafraseren:
Als men je dan vraagt waar die schoonheid nu is, die geestdrift van je jonge dagen (5/6), dan kun je alleen nog wijzen op je ogen die dan diep in hun kassen liggen (7); dat zou een allesverterende schande zijn, iets waaraan geen complimenten meer vergooid mogen worden (8). Je schoonheid zou nuttiger zijn 'besteed' (use; 9) als je kon zeggen: Kijk, ik heb een kind dat mijn schuld vereffent, dit is het excuus van mijn oude dag (10/11) – een kind dat in zijn schoonheid jouw erfgenaam zal zijn (12). Dan ben jij op je oude dag weer als herboren (13) en, in de formulering van Burgersdijk: 'zaagt [g'] uw bloed verwarmd, al voelt gij 't koud'.(14).

Dat met de ouderdom het bloed in de aderen kouder werd, was een gangbare opvatting.

Het woord 'use' betekent meer dan alleen 'gebruik'. Het wordt in deze gedichten vaak gebruikt in de betekenis van 'sexual use', dus voortplanting; en tegelijkertijd verwijst het vaak ook naar 'usury' (woekeren, rente vragen) ofwel geld met geld verdienen, iets wat in die tijd net zo taboe was als het voor strenge moslims heden ten dage nog is. Die negatieve connotatie is hier nauwelijks aanwezig, maar een financiële metafoor sluimert wel onder de oppervlakte, in 'treasure', 'thriftless' (spilziek) en 'sum my count'. Een kind verwekken is investeren in de toekomst.

Booth wijst weer op een typisch Shakespeareaanse tegenstelling, namelijk 'de paradox dat de schat wordt vergroot door hem uit te geven'.

Door de melacholieke toon van de beginregels doet dit sonnet nog meer dan het vorige denken aan Pierre de Ronsards beroemde 'Quand vous serez bien vieille'. (Ik weet overigens niet of Shakespeare dat sonnet gekend heeft; de naam van Ronsard duikt zelden op in de literatuur over de sonnetten, dus ik vermoed dat niets daarop wijst. Maar de algemene gedachte van dat gedicht was natuurlijk een gemeenplaats, of een topos.)

Let op de fraaie retorische symmetrie in de slotregel: je ziet je bloed warm (in je kind) als het (in jezelf) koud voelt.

Bovendien komen we bij het slotwoord 'cold' weer uit bij de winters waar het sonnet mee begon.


Amsterdam, november 2010


oude spelling

Andere vertalingen:
Burgersdijk
Verwey
Moulijn-Haitsma Mulier
Decroos
Boutens
Jonk
Van der Krogt
Verstegen
Grandgagnage

Sonnet 1
Sonnet 2
Sonnet 3
Sonnet 4
Sonnet 5
Sonnet 6
Sonnet 7
Sonnet 8
Sonnet 9
Sonnet 10
Sonnet 11
Sonnet 12
Sonnet 13
Sonnet 14
Sonnet 15
Sonnet 16
Sonnet 17
Sonnet 18
Sonnet 19
Sonnet 20
Sonnet 21
Sonnet 22
Sonnet 23
Sonnet 24
Sonnet 25
Sonnet 26
Sonnet 27
Sonnet 28
Sonnet 29
Sonnet 30
Sonnet 31
Sonnet 32
Sonnet 33
Sonnet 34
Sonnet 35
Sonnet 36
Sonnet 37
Sonnet 38
Sonnet 39
Sonnet 40
Sonnet 41
Sonnet 42
Sonnet 43
Sonnet 44
Sonnet 45
Sonnet 46
Sonnet 47
Sonnet 48
Sonnet 49
Sonnet 50
Sonnet 51
Sonnet 52
Sonnet 53
Sonnet 54
Sonnet 55
Sonnet 56
sonnet 57
Sonnet 58
Sonnet 59
Sonnet 60
Sonnet 61
Sonnet 62
Sonnet 63
Sonnet 64
Sonnet 65
Sonnet 66
Sonnet 67
Sonnet 68
Sonnet 69
Sonnet 70
Sonnet 71
Sonnet 72
Sonnet 73
Sonnet 74
Sonnet 75
Sonnet 76
Sonnet 77
Sonnet 78
Sonnet 79
Sonnet 80
sonnet 81
Sonnet 82
Sonnet 83
Sonnet 84
Sonnet 85
Sonnet 86
Sonnet 87
Sonnet 88
Sonnet 89
Sonnet 90
Sonnet 91
Sonnet 92
Sonnet 93
Sonnet 94
Sonnet 95
Sonnet 96
Sonnet 97
Sonnet 98
Sonnet 99
Sonnet 100
Sonnet 101
Sonnet 102
Sonnet 103
Sonnet 104
Sonnet 105
Sonnet 106
Sonnet 107
Sonnet 108
Sonnet 109
Sonnet 110
Sonnet 111
Sonnet 112
Sonnet 113
Sonnet 114
Sonnet 115
Sonnet 116
Sonnet 117
Sonnet 118
Sonnet 119
Sonnet 120
Sonnet 121
Sonnet 122
Sonnet 123
Sonnet 124
Sonnet 125
Sonnet 126
Sonnet 127
Sonnet 128
Sonnet 129
Sonnet 130
Sonnet 131
Sonnet 132
Sonnet 133
Sonnet 134
Sonnet 135
Sonnet 136
Sonnet 137
Sonnet 138
Sonnet 139
Sonnet 140
Sonnet 141
Sonnet 142
Sonnet 143
Sonnet 144
Sonnet 145
Sonnet 146
Sonnet 147
sonnet 148
Sonnet 149
Sonnet 150
Sonnet 151
Sonnet 152
Sonnet 153
Sonnet 154