Franks homepage
Nieuw op de site
Contact
Zoeken
English

de 'Droeshout-gravure' van Shakespeare

Shakespeare:
Voorwoord
Bibliografie
Tekstverantwoording
Vertalingen
Bewerkingen
A Lover's Complaint
De sonnetvorm
Shakespeare-links

Vertalers:
Burgersdijk
Albert Verwey
J. Decroos
Boutens
Moulijn-Haitsma Mulier
Jan Campert
Hugo Claus


Tijdgenoten:
Edmund Spenser
John Donne


Statistieken/Privacy

4

Unthrifty loveliness, why dost thou spend
Upon thyself thy beauty's legacy?
Nature's bequest gives nothing, but doth lend,
And being frank, she lends to those are free.
Then, beauteous niggard, why dost thou abuse
The bounteous largesse given thee to give?
Profitless usurer, why dost thou use
So great a sum of sums yet canst not live?
For having traffic with thy self alone,
Thou of thyself thy sweet self dost deceive.
Then how when nature calls thee to be gone,
What acceptable audit canst thou leave?
   Thy unused beauty must be tombed with thee,
   Which, usèd, lives th' executor to be.

Waarom zou jij, verrukkend jong, alleen
Van 't erfgoed van jouw schoonheid mogen smullen?
Moeder Natuur schenkt niets, geeft slechts in leen -
Goedgeefs leent zij het meest nog aan de gullen.
Welnu, charmante vrek, waarom misbruik
Je dan de schat die jij toch door moet geven?
Schrijf worteltrekken nu maar op je buik:
Alleen vermenigvuldigen geeft leven.
Door 't beste van jezelf zélf af te romen
Ontneem je ook jezelf je later eigen;
Hoe wil je dan, als jouw tijd is gekomen,
Je eindbalans aanvaardbaar sluitend krijgen?
   Je fier geslacht zal zo met jou versterven;
   Gebruik het goed, en 't leeft weer in je erven.


Verkwistend lief, waar is het erfdeel heen
Dat schoonheid schenkt? Heb jij alleen gefeest?
Natuur geeft nooit iets weg, enkel te leen,
En eerlijk, aan vrijgevigen het meest.
Waarom misbruik je toch, jij fraaie vrek,
Het aandeel dat je krijgt om door te geven?
Je woekert zonder winst, hebt geen gebrek
Aan geld, maar je weet niet hoe je moet leven.
Ben jij alleen maar op jezelf gericht?
Dan offer je je eigen perspectief.
Want zegt natuur: 'Je einde komt in zicht',
Is dan jouw rekening wel positief?
   Je schoonheid? Ongebruikt met jou teniet.
   Tenzij gebruik je erfgenamen biedt.



Nieuwe vertalingen zijn altijd welkom! Als je zelf ook een vertaling hebt die je hier wel geplaatst of gelinkt wilt zien, mail me dan.

Klik hier voor een Engelstalig commentaar op dit gedicht.

Commentaar

Nog steeds hetzelfde thema als in de vorige gedichten. Dit sonnet grijpt terug op de gierigheid, het 'make waste in niggarding' van sonnet 1. Dat wordt hier verder uitgewerkt in een consequent volgehouden financiële metafoor: de schoonheid is een fortuin dat de natuur aan mensen schenkt, niet om te houden maar om uit te geven. Typisch Shakespeareaanse paradoxen weer: het is je gegeven om het wég te geven; de vriend is een woekeraar (usurer), maar hij maakt zijn geld niet te gelde (profitless).

Zoals vaak in deze gedichten is het woord 'use' een kruispunt van betekenissen. Het betekent niet alleen gebruiken, maar hier ook specifiek investeren, zoals een woekeraar (usurer) doet: uitzetten tegen rente. Daarnaast klinkt de betekenis van de vorige strofe nog door: geld gebruiken, uitgeven.

Ook 'canst not live' is dubbelzinnig: het betekent dat hij zich (met de opbrengst van zijn fortuin) niet kan onderhouden, en dat hij niet zal voortleven omdat hij geen kind verwekt.

De jongeman heeft immers alleen 'traffic with himself alone': hij heeft alleen 'verkeer' met zichzelf, ofwel drijft alleen handel met zichzelf... en ja, je mag ook aan geslachtsverkeer denken. Net als 'Feed'st thy light's flame with self-substantial fuel' uit sonnet 1 wordt het doorgaans opgevat als een verwijzing naar zelfbevlekking.

Als dat klopt, hebben de sonnetten wel een erg vertrouwelijke toon. Zo vertrouwelijk dat je je kunt afvragen of het wel waarschijnlijk is dat ze geschreven zijn in opdracht van een adellijk echtpaar dat hun zoon wil aansporen een kind te verwekken. Het geeft weer eens aan dat het niet erg zinvol is uitgebreid te speculeren over de precieze ontstaansgeschiedenis en eventuele biografische achtergronden van de gedichten. Het leidt alleen maar af.

Ook typerend Shakespeareaans in dit gedicht zijn de woorddronken herhalingen van het type 'given thee to give' en 'thou of thyself thy sweet self', met identieke woorden die telkens net niet precies hetzelfde betekenen (soms zelfs bijna tegengesteld worden). Daarmee vormt hij soms kleine woordgroepen die zich loszingen van hun context, die op zichzelf genomen iets anders betekenen dan binnen het geheel van de zin. Beide betekenissen blijven dan tegelijkertijd bestaan, als over elkaar geprojecteerde dia's.

Parafrase:

Spilzieke mooie jongen, waarom spendeer je het erfgoed van je schoonheid alleen aan jezelf? (1/2) Die schoonheid is geen geschenk maar een lening van de Natuur, en vrijgevig van aard als zij is, leent ze vooral graag aan mensen die zelf ook vrijgevig zijn. (3/4)

Waarom, mooie vrek, maak jij dan misbruik van de gaven waar je zo rijkelijk mee bent bedeeld? Ze zijn je immers gegeven om ze zelf weer door te geven. (5/6) Je bent een woekeraar die geen winst maakt. Hoe kun je over zo'n enorme schat beschikken en daar toch niet van kunnen leven (of: voortleven)? (7/8)

Door alleen met jezelf zaken te doen beroof je jezelf (van de vrucht van je eigen schoonheid). (9/10) Hoe moet dat dan als de Natuur jou weer tot zich neemt, wat is dan de trieste balans die je achterlaat? (11/12) Al je ongebruikte pracht moet met jou worden begraven. Maar als je het aanwendt (om een kind te maken), leeft die schoonheid voort in dat kind, als jouw executeur-testamentair.



oude spelling

Andere vertalingen:
Burgersdijk
Verwey
Moulijn-Haitsma Mulier
Decroos
Jonk
Grandgagnage
Boutens

Sonnet 1
Sonnet 2
Sonnet 3
Sonnet 4
Sonnet 5
Sonnet 6
Sonnet 7
Sonnet 8
Sonnet 9
Sonnet 10
Sonnet 11
Sonnet 12
Sonnet 13
Sonnet 14
Sonnet 15
Sonnet 16
Sonnet 17
Sonnet 18
Sonnet 19
Sonnet 20
Sonnet 21
Sonnet 22
Sonnet 23
Sonnet 24
Sonnet 25
Sonnet 26
Sonnet 27
Sonnet 28
Sonnet 29
Sonnet 30
Sonnet 31
Sonnet 32
Sonnet 33
Sonnet 34
Sonnet 35
Sonnet 36
Sonnet 37
Sonnet 38
Sonnet 39
Sonnet 40
Sonnet 41
Sonnet 42
Sonnet 43
Sonnet 44
Sonnet 45
Sonnet 46
Sonnet 47
Sonnet 48
Sonnet 49
Sonnet 50
Sonnet 51
Sonnet 52
Sonnet 53
Sonnet 54
Sonnet 55
Sonnet 56
sonnet 57
Sonnet 58
Sonnet 59
Sonnet 60
Sonnet 61
Sonnet 62
Sonnet 63
Sonnet 64
Sonnet 65
Sonnet 66
Sonnet 67
Sonnet 68
Sonnet 69
Sonnet 70
Sonnet 71
Sonnet 72
Sonnet 73
Sonnet 74
Sonnet 75
Sonnet 76
Sonnet 77
Sonnet 78
Sonnet 79
Sonnet 80
sonnet 81
Sonnet 82
Sonnet 83
Sonnet 84
Sonnet 85
Sonnet 86
Sonnet 87
Sonnet 88
Sonnet 89
Sonnet 90
Sonnet 91
Sonnet 92
Sonnet 93
Sonnet 94
Sonnet 95
Sonnet 96
Sonnet 97
Sonnet 98
Sonnet 99
Sonnet 100
Sonnet 101
Sonnet 102
Sonnet 103
Sonnet 104
Sonnet 105
Sonnet 106
Sonnet 107
Sonnet 108
Sonnet 109
Sonnet 110
Sonnet 111
Sonnet 112
Sonnet 113
Sonnet 114
Sonnet 115
Sonnet 116
Sonnet 117
Sonnet 118
Sonnet 119
Sonnet 120
Sonnet 121
Sonnet 122
Sonnet 123
Sonnet 124
Sonnet 125
Sonnet 126
Sonnet 127
Sonnet 128
Sonnet 129
Sonnet 130
Sonnet 131
Sonnet 132
Sonnet 133
Sonnet 134
Sonnet 135
Sonnet 136
Sonnet 137
Sonnet 138
Sonnet 139
Sonnet 140
Sonnet 141
Sonnet 142
Sonnet 143
Sonnet 144
Sonnet 145
Sonnet 146
Sonnet 147
sonnet 148
Sonnet 149
Sonnet 150
Sonnet 151
Sonnet 152
Sonnet 153
Sonnet 154