Franks homepage
Nieuw op de site
Contact
Zoeken
English

de 'Droeshout-gravure' van Shakespeare

Shakespeare:
Voorwoord
Bibliografie
Tekstverantwoording
Vertalingen
Bewerkingen
A Lover's Complaint
De sonnetvorm
Shakespeare-links

Vertalers:
Burgersdijk
Albert Verwey
J. Decroos
Boutens
Moulijn-Haitsma Mulier
Jan Campert
Hugo Claus


Tijdgenoten:
Edmund Spenser
John Donne


Statistieken/Privacy

12

When I do count the clock that tells the time
And see the brave day sunk in hideous night,
When I behold the violet past prime
And sable curls all silvered o'er with white,
When lofty trees I see barren of leaves,
Which erst from heat did canopy the herd,
And summer's green all girded up in sheaves,
Borne on the bier with white and bristly beard,
Then of thy beauty do I question make,
That thou among the wastes of time must go;
Since sweets and beauties do themselves forsake,
And die as fast as they see others grow,
   And nothing 'gainst Time's scythe can make defence,
   Save breed to brave him, when he takes thee hence.

Omdat de klok mijn tijd in stukken bijt,
De dag verzwolgen wordt door zwarte nacht,
De bloem vergeefs tegen verwelking strijdt
En zwart haar zwicht voor grijze overmacht,
De bomen zijn beroofd van 't bladerdak
Waaronder vee voorheen verkoeling zocht,
Het graan in schoven staat geschaard die straks
Bebaard beginnen aan hun laatste tocht –
Dáárom vrees ik de dag dat jij zal sterven,
Dat sloper Tijd jouw pracht teniet komt doen.
Daar al wat zoet en mooi is moet bederven
En elk bruin blad steeds plaatsmaakt voor nieuw groen.
   De tand des tijds wordt door geen hand gekeerd –
   Tenzij je een kind maakt en hem zo trotseert.


Tel ik de klok, de slagen van de tijd,
Zie ik de dag in grauwe nacht verzinken,
Viooltjes, al hun lentepracht reeds kwijt,
Het zwart van lokken door vergrijzing slinken,
Of hoge bomen, van hun blad ontdaan,
Waar eertijds kudden in de schaduw lagen,
En zomergroen, geschoofd bijeen gedaan,
Met witte baard op baren weggedragen –
Dan dient jouw schoonheid zich als kwestie aan:
De tijd zal je verwoesten en verknoeien,
Want schoonheid gaat van schoonheid ooit vandaan,
Versterft zo snel als ze de rest ziet groeien.
   Geen man of macht kan maaier Tijd weerstaan,
   Jouw kind alleen zal hem het veld uit slaan.


Tel ik de klok na, die de tijd vertelt,
Zie ik dat dag in gruwel nacht verdwijnt,
Merk ik hoe het viooltje is verwelkt,
Hoe tussen zwarte haren grijs verschijnt,
Zie ik de bomen, naakt zonder hun lover,
Ooit schuilde voor de zon de kudde daar,
Het zomers groen hoog opgetast in schoven,
De baar vol met de baarden van de aar,
Dan zie ik ook jouw schoonheid als probleem,
Omdat die mettertijd is uitgebloeid;
Want alle zoets en fraais gaat eenmaal heen
En sterft, zo snel als weer een ander groeit.
   En niets kan ooit Tijds sikkel echt weerstaan
   Dan nageslacht, voordat je bent vergaan.


Nieuwe vertalingen zijn altijd welkom! Als je zelf ook een vertaling hebt die je hier wel geplaatst of gelinkt wilt zien, mail me dan.

Klik hier voor een Engelstalig commentaar op dit gedicht.

Commentaar

Dit is een van de beroemdere gedichten in de reeks, mede omdat het een van de favorieten van John Keats was. Van die bewondering zijn sporen terug te vinden in Keats' eigen sonnet 'When I Have Fears...'.

Het thema is duidelijk, het is het thema van al de eerste 17 sonnetten: alles is vergankelijk; zorg snel voor nageslacht, voordat je verdwijnt in de eeuwige nacht.

Het is niet toevallig dat dit juist sonnet 12 is – zoals het ook geen toeval is dat sonnet 60 begint met 'minutes hastening to their end'. Dergelijke getallensymboliek komt vaker voor in de sonnetten.1 Twaalf maal slaat de klok, twaalf maal telt de dichter mee hoe de klok de tijd mededeelt – of hoe de klok de uren aftelt, want 'tell' betekende in Shakespeares tijd zowel tellen als vertellen. Typisch Shakespeareaans grapje is dat dan ook, om binnen één regel twee werkwoorden voor tellen (count en tell) zo naast elkaar te zetten.

Die symmetrie wordt in regel 2 gevolgd door een symmetrie van tegengestelde woordgroepen: 'brave day' tegenover 'hideous night'. 'Brave' betekent hier overigens in de eerste plaats schitterend, mooi (zoals in 'Brave New World', herinnert Erik Honders me – overigens ook een Shakespeare-citaat).

Het tweede kwatrijn vind ik het mooiste. Waren het vooral deze pastorale beelden van herfst en vergankelijkheid die de romantische dichter Keats aanspraken? De eerste vier regels geven nog een tamelijk abstracte opsomming van geijkte symbolen voor vergankelijkheid. In de volgende vier regels wordt ineens met enkele pennenstreken een landelijk tafereel tot leven geroepen. Je ziet de koeien al bij elkaar staan, onder zo'n eeuwenoude boom midden in een wei.

Of eigenlijk zie je het ook niet. Want – en ook dát maakt dit kwatrijn zo mooi – verschillende momenten in de tijd worden simultaan gepresenteerd: van de kale bomen van de herfst (heden) met een snelle flashback terug naar de koeien die daar in de zomer stonden te dromen (verleden). En de zomerse gewassen (verleden), die nu ineens in schoven opeengebonden staan (heden), om straks te worden weggedragen naar de dorsvloer (toekomst).

Dat is nog niet alles. Dit kwatrijn bevat ook een andere betekenislaag. Regel 8, 'op de baar gedragen met zijn witte stekelbaard', zou net zo goed een beschrijving kunnen zijn van een mens die op een draagbaar naar zijn graf wordt gedragen.2 Het doet nog het meest denken aan een processie voor een gevallen soldaat.

En dan blijkt dat schijnbaar vredige pastorale tafereeltje bij nadere beschouwing vol te zitten met verwijzingen naar de maatschappij, en vooral naar oorlog en geweld. Die 'lofty trees' die de kudde niet meer beschermen: zijn dat misschien gevallen koningen die hun onderdanen reddeloos hebben achtergelaten?3

En 'girded up' is niet alleen in schoven bijeengebonden: 'gird up' is ook een soldaat die zijn zwaard omgordt voor de strijd. Het korenveld wordt ineens een slagveld, waar de jonge soldaten (groentjes) in het gelid staan, klaar voor de strijd – om in de volgende regel al meteen ten grave te worden gedragen.

Commentatoren haasten zich altijd om uit te leggen dat 'brave' in regel 2 vooral 'splendid' betekent. Maar is het ook niet zo dat de dag dapper strijd levert met de nacht? Het woord keert terug in de slotregels, die ook opvallend strijdhaftige taal bevatten. We moeten het hoofd bieden ('defence') aan de zeis van de Tijd, die ons uiteindelijk allemaal neermaait als het 'summer's green' uit regel 7. En die zeis kan alleen worden getrotseerd ('brave') door een nieuwe generatie.

Wat een melancholieke bespiegeling over vergankelijkheid leek, met vredige beelden van het platteland in de herfst, heeft ineens een gewelddadige onderstroom gekregen.4


Amsterdam, 1/4/2007


1: Ook 49 was in Shakespeares tijd een getal dat geassocieerd werd met de tijdsrekening – en ook dát sonnet gaat over het verstrijken van de tijd.
Dat de dichter niet kijkt naar de wijzerplaat, maar luistert naar een klok die slaat, drong om een of andere reden pas tot me door bij het lezen van deze discussie.
Vendler wijst ook nog op het tik-tak-geluid in de eerste regel, met al die t- en k-klanken. Als je daar eenmaal aan denkt, gaat het ritme van de eerste regel steeds mechanischer klinken, als een tikkende klok in plaats van een kloppend hart. (Terug.)

2: 'Beard' wordt tegenwoordig in het Engels niet meer zo genoemd, maar heet nu 'awn', in het Nederlands: kafnaald, zeg maar; een uitstekend deel van de korenaar. De 'baard' van de korenschoof – 'beard' betekent natuurlijk óók gewoon 'baard'.
Dat ik in de vertaling van regel 6 en 8 een halfrijm heb gebruikt, is trouwens gewoon gebrek aan creativiteit. Het is niet omdat 'herd' en 'beard' in het origineel niet op elkaar rijmen. Dat mag in modern Engels zo zijn, het is (aldus Booth) goed mogelijk dat 'beard' in Shakespeares tijd ongeveer werd uitgesproken als 'bird'. Elders laat Shakespeare 'beard' ook rijmen op 'heard'. (Terug.)

3: Als zelfstandig naamwoord is 'canopy' meestal een baldakijn of een troonhemel. Het roept al snel associaties op met vorsten.
De dubbelzinnigheid is in de vertaling nog verder weggevallen door te kiezen voor 'vee' in plaats van 'kudde'. Ik kon de alliteratie niet weerstaan (had zelfs een beetje spijt dat ik geen geschikt rijm had voor 'vond'), maar in feite is 'kudde' een betere (want dubbelzinniger) vertaling. (Terug.)

4: De suggestie dat de dood van een vorst zijn volk reddeloos achterlaat, is een aanwijzing dat deze aansporing om nageslacht te verwekken gericht moet zijn aan iemand van adel: 'Jij behoort tot de heersende klasse. Als jij straks geen erfgenaam hebt, laat je een erfenis van chaos achter.'



oude spelling
Andere vertalingen:
Burgersdijk
Verwey
Decroos
Moulijn-Haitsma Mulier
Boutens
Jonk
Grandgagnage
Van der Krogt

Sonnet 1
Sonnet 2
Sonnet 3
Sonnet 4
Sonnet 5
Sonnet 6
Sonnet 7
Sonnet 8
Sonnet 9
Sonnet 10
Sonnet 11
Sonnet 12
Sonnet 13
Sonnet 14
Sonnet 15
Sonnet 16
Sonnet 17
Sonnet 18
Sonnet 19
Sonnet 20
Sonnet 21
Sonnet 22
Sonnet 23
Sonnet 24
Sonnet 25
Sonnet 26
Sonnet 27
Sonnet 28
Sonnet 29
Sonnet 30
Sonnet 31
Sonnet 32
Sonnet 33
Sonnet 34
Sonnet 35
Sonnet 36
Sonnet 37
Sonnet 38
Sonnet 39
Sonnet 40
Sonnet 41
Sonnet 42
Sonnet 43
Sonnet 44
Sonnet 45
Sonnet 46
Sonnet 47
Sonnet 48
Sonnet 49
Sonnet 50
Sonnet 51
Sonnet 52
Sonnet 53
Sonnet 54
Sonnet 55
Sonnet 56
sonnet 57
Sonnet 58
Sonnet 59
Sonnet 60
Sonnet 61
Sonnet 62
Sonnet 63
Sonnet 64
Sonnet 65
Sonnet 66
Sonnet 67
Sonnet 68
Sonnet 69
Sonnet 70
Sonnet 71
Sonnet 72
Sonnet 73
Sonnet 74
Sonnet 75
Sonnet 76
Sonnet 77
Sonnet 78
Sonnet 79
Sonnet 80
sonnet 81
Sonnet 82
Sonnet 83
Sonnet 84
Sonnet 85
Sonnet 86
Sonnet 87
Sonnet 88
Sonnet 89
Sonnet 90
Sonnet 91
Sonnet 92
Sonnet 93
Sonnet 94
Sonnet 95
Sonnet 96
Sonnet 97
Sonnet 98
Sonnet 99
Sonnet 100
Sonnet 101
Sonnet 102
Sonnet 103
Sonnet 104
Sonnet 105
Sonnet 106
Sonnet 107
Sonnet 108
Sonnet 109
Sonnet 110
Sonnet 111
Sonnet 112
Sonnet 113
Sonnet 114
Sonnet 115
Sonnet 116
Sonnet 117
Sonnet 118
Sonnet 119
Sonnet 120
Sonnet 121
Sonnet 122
Sonnet 123
Sonnet 124
Sonnet 125
Sonnet 126
Sonnet 127
Sonnet 128
Sonnet 129
Sonnet 130
Sonnet 131
Sonnet 132
Sonnet 133
Sonnet 134
Sonnet 135
Sonnet 136
Sonnet 137
Sonnet 138
Sonnet 139
Sonnet 140
Sonnet 141
Sonnet 142
Sonnet 143
Sonnet 144
Sonnet 145
Sonnet 146
Sonnet 147
sonnet 148
Sonnet 149
Sonnet 150
Sonnet 151
Sonnet 152
Sonnet 153
Sonnet 154