Franks homepage
Nieuw op de site
Contact
Zoeken
English

portret P.C. Boutens


Shakespeare:
Voorwoord
Bibliografie
Tekstverantwoording
Vertalingen
Bewerkingen
A Lover's Complaint
De sonnetvorm
Shakespeare-links

Vertalers:
Burgersdijk
Albert Verwey
J. Decroos
Boutens
Moulijn-Haitsma Mulier
Jan Campert
Hugo Claus


Tijdgenoten:
Edmund Spenser
John Donne


Statistieken/Privacy

Drieëndertigste sonnet

Hoe vaak zag ik den stralende’ uchtend vleien
Met soevereinen blik den bergezoom,
Kussen met gulden mond de groene weien,
In hemelsch goud omsmelten valen stroom;
Dan dulden dat de laagste wolken druilen
Haar grauw zwerk langs zijn goddeljk gelaat,
Zijn aanschijn voor de ontdane weerld verschuilen,
Dat ongezien te West sluipt met dien smaad:
Zoo scheen mijn zon éen morgen vroeg in ’t stijgen
Over mijn brauw zijn triomfanten glans;
Doch, lacy, maar éen uur was hij mijn eigen,
Voor mij verdekt de wolkenlaag hem thans.
   Toch, hem mijn liefde in niets schat aangeschonnen:
   Taant hemels zon, wat zouden aardsche zonnen?

Uit: P.C. Boutens, Verzamelde Lyriek, deel II, 1922-1943, Athenaeum-Polak & Van Gennep, 1968.



Aantekeningen:


r. 11 lacy = helaas.
r. 13 aangeschonnen = geschonden, aangetast, in waarde verminderd. (‘Schat’ is hier het werkwoord, ‘liefde’ het onderwerp.)


Engelse tekst
   + nieuwe vertaling

oude spelling
Andere vertalingen:
A. S. Kok (1859)
Burgersdijk
Verwey
Moulijn-Haitsma Mulier
Decroos
Jonk
Van der Krogt

Sonnet 1
Sonnet 2
Sonnet 3
Sonnet 4
Sonnet 5
Sonnet 6
Sonnet 7
Sonnet 8
Sonnet 9
Sonnet 10
Sonnet 11
Sonnet 12
Sonnet 13
Sonnet 14
Sonnet 15
Sonnet 16
Sonnet 17
Sonnet 18
Sonnet 19
Sonnet 20
Sonnet 21
Sonnet 22
Sonnet 23
Sonnet 24
Sonnet 25
Sonnet 26
Sonnet 27
Sonnet 28
Sonnet 29
Sonnet 30
Sonnet 31
Sonnet 32
Sonnet 33
Sonnet 34
Sonnet 35
Sonnet 52
Sonnet 95
Sonnet 109